Wees toch niet zo serieus! Gesprek met Morris Lapidus, architect voor Mr en Mrs America

De winkels, hotels en woonhuizen die de Amerikaanse architect Morris Lapidus tussen 1920 en 1980 ontwierp, kenmerken zich door zwierige, weelderige vormen. Mensen leiden volgens hem een saai leven, de architect kan hen met zijn gebouwen opvrolijken. In 1974 eindigde Lapidus als voorlaatste in een enquête onder architecten over vakgenoten, tegenwoordig wordt hij gezien als de pionier van het postmodernisme. “Waar ik naar verlangde was dat iemand eens zei: 'Ja, Morris, je hebt een paar mooie dingen gemaakt'.”

Het boek 'Morris Lapidus. Architect of the American Dream' van Martina Düttmann en Friederike Schneider is nog verkrijgbaar. Uitg. Birkhäuser. Prijs ƒ188,50

Tweeënnegentig jaar moest de Amerikaanse architect Morris Lapidus worden om erkenning te krijgen. Een staande ovatie was zijn deel toen hij eind maart voor 800 aanwezigen het congres Preserving the recent past in Chicago opende. Stram maar gezien zijn leeftijd toch verrassend soepel, boog Lapidus beleefd. Na het wegsterven van het applaus werd hij zelfs als een popster belaagd door congresgangers die een handtekening wilden in hun exemplaar van een van Lapidus' boeken, zoals An Architecture of Joy of A Pyramid in Brooklyn.

“Het was de eerste staande ovatie in mijn leven,” zegt hij later in het restaurant van het statige Palmer House Hotel, nog steeds verbaasd over zoveel bijval. “Ik geloof niet dat mijn praatje erg veel te maken had met het onderwerp van het congres, maar het publiek vond het blijkbaar mooi.”

Lapidus' lezing ging inderdaad helemaal niet over het behoud van het twintigste-eeuwse architectonische erfgoed in Amerika, maar over hemzelf. Luchtig vertelde hij de volle zaal dat hij eerst acteur had willen worden, maar al na twee weken Broadway begreep dat het theaterleven vooral uit wachten bestond. Decorontwerper, dat wilde hij toen worden. Daar was, zo verzekerde men hem, een architectenopleiding voor nodig. Uiteindelijk kwam hij na de voltooiing van zijn architectenopleiding aan Columbia University in New York niet in het theater terecht, maar bij een groot architectenbureau waar hij eerst alleen wc's mocht tekenen.

In 1928 werd hem gevraagd een winkel te ontwerpen, een aanbod dat hij gezien de hoge vergoeding niet kon weigeren. Honderden winkels in alle uithoeken van de Verenigde Staten volgden. Lapidus werd de 'inventor of modern shop design'. Entrees verlegde hij naar achteren, zodat er meer ruimte onstond voor glazen etalages die de voorbijgangers naar binnen zogen. Binnen in de winkels ontwikkelden vitrines, toonbanken en meubilair zich tot amoebe-achtige objecten ('woggles'), schoten stokken van bamboe ('bean-poles') uit de vloer om de klanten te sturen, en licht liet Lapidus door de 'cheese holes' van de wellustig gevormde, verlaagde plafonds stromen.

In 1953 kreeg hij zijn eerste opdracht voor een hotel in Miami, het Fontainebleau, een reusachtig hotel van 515 kamers, dat later als decor zou dienen voor de James Bond-film Goldfinger. Tropisch modernisme is een goede omschrijving voor het exterieur van dit gebouw: de zwierige witte betonnen vormen zijn weliswaar ontdaan van de Bauhaus-strengheid, maar kennen toch geen ornamenten. Maar binnen liet Lapidus elke terughoudendheid varen. De wervelende lobby's, restaurants en andere ruimtes zijn gevuld met feestelijke, bijna bizarre opeenhopingen van kolossale kroonluchters, al dan niet klassieke beelden, spiegels, lichtgevende zuilen, vijvertjes en balustrades die nergens goed voor lijken te zijn.

Op Fontainebleau volgden honderden hotels, appartmenten, winkels, theaters, restaurants, kantoren en zelfs sociale woningbouw in de Verenigde Staten, de Caraïben, Afrika en Europa. Ze verschilden allemaal van elkaar, maar één ding hadden ze gemeen, riep Morris Lapidus in Chicago trots uit: nooit waren ze zomaar een doos. Krommingen, kleuren en licht - daar ging het om in de architectuur.

Superkitsch

Ondanks het negeren van het onderwerp in zijn lezing, was het geen slechte ingeving van de organisatoren om Morris Lapidus een congres over het behoud van twintigste-eeuwse architectuur te laten openen. De twintigste eeuw heeft het werk van Morris Lapidus geteisterd: van zijn honderden winkels is er niet één meer over en veel van zijn andere gebouwen, zoals zijn meesterwerk Fontainebleau, zijn in de loop der jaren drastisch gewijzigd. Ook in een ander opzicht is de twintigste eeuw hard geweest voor Lapidus, zeer hard zelfs: zonder uitzondering kraakten de critici zijn gebouwen af. 'Superkitsch' is nog de vriendelijkste kwalificatie die ze gebruikten. 'Je moet blind zijn om het werk van Lapidus te kunnen waarderen,' schreef een criticus eens. Lapidus maakt pornografische architectuur, vond een ander. En in een enquête onder Newyorkse architecten, waarin werd gevraagd naar hun waardering voor bekende vakgenoten, eindigde Lapidus in 1974 bijna als laatste, net boven Hitlers hofarchitect Albert Speer.

De voortdurende kritiek was voor Lapidus reden om zijn archief te vernietigen toen hij in 1984 ophield met werken. “Mijn kantoor was geslonken van zeventig medewerkers in de jaren zestig tot drie in de jaren tachtig”, zegt Lapidus over zijn toenmalige besluit. “En toen een grote opdracht voor een ziekenhuis in China niet doorging, besloot ik er een punt achter te zetten. Ik liet twee vuilniswagens komen en heb mijn hele archief - modellen, tekeningen, alles - meegegeven. Mijn zoon heeft er nog twee tekeningen en een stuk of dertig fotoalbums tussen uit gehaald, maar ik wilde er niets meer mee te maken hebben. Ik had het gevoel dat ik nooit iets had gepresteerd, dat ik mijn hele leven had verknoeid. Zeker, ik kon comfortabel leven, ik kon me alles veroorloven, maar dat was niet wat ik wilde. Waar ik naar verlangde was dat iemand eens zei: 'Ja, Morris, je hebt een paar mooie dingen gemaakt'.”

Dat de critici zo op hem gebeten waren, begrijpt hij nog steeds niet: “Okay, dan ben ik een beroerde architect. Maar daar zijn er duizenden van! Waarom werd ik er dan uitgepikt, waarom was ik de graat in hun keel? Bovendien was ik niet de enige die zo bouwde. Alvar Aalto, Gio Ponti, Oscar Niemeyer - ze gebruikten dezelfde zwierige vormen als ik en namen geen genoegen met de dozenarchitectuur, die dankzij de vroegere Bauhaus-directeur Mies van der Rohe vooral in Amerika de norm was geworden.”

Toch is het niet moeilijk om te verzinnen wat de critici zo stoorde aan Lapidus' werk. Vooral in zijn interieurs ging Lapidus verder dan Aalto, Ponti en Niemeyer en bovendien was Lapidus een onverbloemd commerciële architect. Met reden, vertelt hij: “Een goede vriend van me kreeg de opdracht voor het hoofdkantoor van de firma Heinz in Pittsburgh. Hij ontwierp een mooi, modernistisch gebouw. Maar meneer Heinz wilde er een reusachtige augurk op. Mijn vriend weigerde. Ik zei nog tegen hem: 'Wees toch niet zo serieus. Geef die man zijn augurk.' Maar hij hield voet bij stuk en verloor ten slotte de opdracht. Vervolgens stak hij zijn hoofd in de oven. Dat heeft me geleerd compromissen te sluiten. Als een klant het zus of zo wilde, deed ik het. Opdrachtgevers kwamen naar me toe en zeiden dat ze ook zo'n gek hotel als het Fontainebleau wilde. En dan gaf ik ze er een.

“Ik heb nooit voor de critici ontworpen, maar altijd voor Mr and Mrs America. Doordat ik zoveel winkels had gemaakt, wist ik goed wat die wilden. Ik kende elke truc om de mensen naar binnen te lokken. Zo ontwikkelde ik bijvoorbeeld het 'moth-complex', zoals ik het noem. Mensen komen, net als nachtvlinders, op het licht af. Dat doen overigens niet alleen Mr en Mrs America, het is een universeel verschijnsel. Ik ben er van overtuigd dat de liefde voor licht ontstond toen de oermensen in hun grotten rond het vuur zaten en door het kijken in de vlammen een gevoel van geborgenheid en vrede kregen. Hetzelfde geldt voor de liefde voor kleur en ronde vormen. Dat zit in de genen van de mens.

“De meeste mensen leiden een saai leven. Als architect kun je ze heel even in een fantasiewereld laten leven. Ik heb altijd geprobeerd de mensen te behagen. Daar moet je niet zuinig in zijn. Stel, je houdt van ijs. Waarom zou je dan één schep nemen? Neem er drie! Have a good time - dat was mijn filosofie.”

Gaslampen

Theatraliteit is het sleutelwoord in Lapidus' oeuvre. Uiteindelijk was hij toch niets anders dan de decorontwerper die hij oorspronkelijk wilde worden. “Ik houd al mijn hele leven van de 'make-believe'-wereld, van fantasie. Als Russisch immigrantenkind woonde ik drie hoog achter in Brooklyn, waar we alleen gaslampen hadden. Toen ik een jaar of vijf, zes was, nam mijn lievelingsoom me mee naar Coney Island, dat toen nog een gigantisch pretpark was. 'sAvonds laat keerden we terug; alle attracties waren verlicht. Het was fantastisch: de contouren van de carrousels, de achtbanen en de parachutetorens lichtten op in de donkere nacht. Dit heeft diepe indruk op me gemaakt en me mijn hele leven beïnvloed. Het was zoiets als Las Vegas nu, zonder twijfel de idiootste stad ter wereld. Lelijk misschien, maar de mensen houden ervan.”

Lapidus' beroemdste decorstuk is de zogenaamde 'trap naar nergens', in Fontainebleau en andere hotels. Een trap die niet twee verdiepingen met elkaar verbindt, maar alleen is bedoeld om op en af te schrijden. “Het was me opgevallen dat wanneer vrouwen in hun mooie jurken naar een feest of restaurant gingen, ze altijd de lift tot de tussenverdieping namen, zodat ze een trap konden afdalen. Goed beschouwd is het volstrekte nonsens - neem toch gewoon de lift. Maar ik ging nog een stapje verder en zorgde voor trappen die naar nergens gaan. Ze leiden naar een kleine ruimte om om te keren, meer niet. En het publiek is er dol op.”

De herwaardering van Lapidus' werk begon een jaar of vijf geleden. In 1990 noemde een Franse criticus hem een 'martelaar', twee jaar later kreeg hij een tentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut en verscheen er een boek over hem met als titel 'Architect of the American Dream'. Een architect als Sjoerd Soeters, ontwerper van onder meer het Circustheater in Zandvoort, noemt Lapidus tegenwoordig zelfs als een van zijn voorbeelden. Zelf heeft Lapidus zojuist zijn autobiografie voltooid.

“Al mijn critici zijn dood, ik heb ze allemaal overleefd,” geeft Lapidus als eerste verklaring voor zijn rehabilitatie. “Maar belangrijker is natuurlijk de opkomst van het postmodernisme. Mijn leeftijdgenoot Philip Johnson, de goeroe van de Amerikaanse architectuur, noemt me nu de 'pionier van het postmodernisme'. En Robert Venturi zei eens dat wat ik in mijn hotels had gedaan, overeenkwam met zijn postmoderne theorieën. “Het tijdperk van de dozen is voorbij. Amerika heeft lang in de doos van Mies van der Rohe geloofd, maar nu zoeken we onze weg terug. Ik geloof dat de architecten in de eenentwintigste eeuw weer denken in termen van plasticiteit, dat ze vormen gaan gebruiken die passen bij de menselijke aard. Plastische vormen, kleuren en nieuwe ornamenten - daar zijn jonge architecten nu naar op zoek. Ik ben oud genoeg om nu heel arrogant te zeggen: ik ben ermee begonnen. En ik ben blij dat ik er uiteindelijk ook de erkenning voor krijg. Fantasie en nonsens zijn ten slotte beloond.”