Vrede is oorlog met andere middelen

Toen Siegfried Lenz in 1988 de vredesprijs van de Duitse boekhandel kreeg, vroeg hij zich in zijn dankwoord af of de vrede al bestaat zodra het wapengedruis is verstomd. In zijn boek Soldatenland staat het antwoord. Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Siegfried Lenz: Soldatenland. Prijs ƒ9,95. Onder meer te koop bij De Slegte

Ramsjzaken zijn de laatste rustplaatsen van boeken, ze liggen er voorlopig veilig voor onze recycling-economie, waar men cellulosepulp belangrijker acht dan de gedachten- en ideeënwereld die een schrijver aan het papier heeft toevertrouwd. Deze kerkhoven zijn de reservaten voor de echte kenners die met een jachtgloed in de ogen langs de schappen en stapels dwalen. Opmerkelijk is dat er veel buitenlandse overschotten zijn. Wereldwijd geprezen romans, verhalen en novellen. Heeft het er misschien mee te maken dat er in onze ogen maar één land op de wereld als aards paradijs in aanmerking komt? Nederland! De Nederlander leest chauvinistisch en lijkt wars van de balsturigheid van buitenlands werk dat schril afsteekt tegen de nette, verstilde dame - soms te sterk geparfumeerd naar mijn smaak - die de Nederlandse literatuur vaak is.

Soldatenland van Siegfried Lenz is een kroonjuweel dat haast niemand voor een rechtvaardige prijs wil kopen, waar je geen goede sier mee maakt als je het achteloos op de salontafel laat slingeren als je gasten krijgt. Niemand kent het en er is dus niemand om je verfijnde smaak te bewonderen.

Soldatenland is een verlaten exercitieterrein in Noord-Duitsland dat door de familie Zeller wordt omgetoverd tot een kwekerij met bomen en struiken. Een weerbarstig stuk grond met bunkers, skeletten, patronen, hulzen en cocardes dat met liefde door de hoofdfiguren wordt bewerkt en veredeld. Door de unieke plaats van handeling past de roman in de literaire traditie die omstreeks 1650 een aanvang nam en waarin sprake was van een groeiende belangstelling voor de natuur die overweldigd moest worden, waardoor de hoofdfiguren een extra heroïsch karakter moesten krijgen.

Een paar soldaten die hun voormalige terrein nog eens komen bezoeken, zeggen hierover, terwijl ze op de commandoheuvel gaan zitten en naar de eindeloze rijen bomen en struiken kijken: “Het lijkt net, of ze zijn aangetreden, die boompjes en planten, alsof ze permanent op appel staan (-) Dat is onze aflossing.” Het is een wel zeer bijzondere wisseling van de wacht. Bomen, planten en struiken voor granaten, bomtrechters en bloed en een familie die uit het oosten naar het noorden van Duitsland is gevlucht om daar een nieuw bestaan op te bouwen.

Siegfried Lenz, die zich bij Gruppe '47 schaarde, auteurs die nieuwe taalmiddelen zochten omdat de oude te zeer besmet waren geraakt door het nazisme, kreeg in 1988 de vredesprijs van de Duitse boekhandel. In zijn dankwoord vroeg hij zich af of de vrede al bestaat, zodra bij wijze van spreken het wapengedruis is verstomd.

In Soldatenland vinden wij het antwoord, niet alleen is de echo van het wapengekletter nog hoorbaar, een nieuwe strijd laait in de privésfeer op, zodra de oorlog voorbij is. Vrede is oorlog met andere middelen.

In zijn stijl blijkt Lenz trouw aan de vernieuwing; een sober verteld verhaal dat een evocatie is van de eenzaamheid en kwetsbaarheid van de hoofdfiguur Bruno.

Bijzonder fascinerend is zijn keuze van deze hoofdfiguur - victim of war of randdebiel? - door wie de geschiedenis van de familie Zeller en de opkomst en neergang van de kwekerij wordt verteld. Via zijn dwarse en vreemde manier van kijken krijgt de lezer een intens, maar vooral diepzinnig beeld van de verhoudingen tussen mensen, hun geniepige pesterijen, hun vreemdelingenhaat, afgunst en hebzucht. Onbevooroordeeld en geheel zonder naijver doet Bruno zijn verhaal, dat als volgt begint: “Ze hebben hem onder curatele gesteld. Ik weet niet wat dat betekent, maar Magda zei, dat ze een curator voor hem hebben aangesteld, voor hem, die een miljoen planten en bomen bezit, die hij als geen ander tot groei weet te brengen, hier in de milde Oostzeewinden. Zolang als ik kan denken, heeft hij ervoor gezorgd dat ik iets te eten kreeg.” We bevinden ons meteen midden in het verhaal. Bruno woont en werkt eenendertig jaar bij de familie in Hollenhusen aan de Holle. Via terugblikken op het verleden, doorkijkjes op het ontstaan van de kwekerij en het vreesaanjagende heden moeten we wel met Bruno meeleven.

Hij is anders dan anderen, vreemd voor gewone stervelingen; in zijn niet te stillen honger eet hij zaden waar hij alleen een beetje duizelig van wordt; de vruchtvleeszaden van de liguster, taxus en beberis.

Zijn herinneringen aan de oorlog zijn traumatisch in medisch en in geestelijk opzicht. Onverwacht, zodra hij door anderen in het nauw gedreven wordt, duikt voor zijn geestesoog het landingsvlot met soldaten, burgers en paarden op, dat door een bom in de laatste dagen van de oorlog wordt geraakt en zinkt terwijl Bruno door snuivende en briesende paarden onder water wordt geduwd. Ten langen leste, gehavend en blauw van het zuurstofgebrek, wordt hij door Zeller, de baas van de kwekerij, gered en meegenomen. Een posttraumatische stress-stoornis van de eerste orde.

In zijn redder heeft Bruno een grenzeloos vertrouwen en hij huldigt de opvatting dat als iemand je leven redt, jij op jouw beurt, als dat nodig is, het zijne behoort te redden.

Met zijn vreemd werkende hersens begrijpt Bruno dat de baas onder curatele is gesteld vanwege een schenkingsakte na zijn dood waarin hij met een derde van het land wordt bedacht.

Het deerniswekkende is dat uit Bruno's relaas blijkt dat hij - hoe kundig op bepaalde gebieden van het kwekersvak ook - nooit zelfstandig een kwekerij zal kunnen runnen.

De hoofdfiguur beseft het allemaal, maar is machteloos en dreigt door allerlei slimme strategieën van anderen, de normalen, overdonderd te worden. Als de overige familieleden, moeder, dochter en twee zoons weigeren zich bij de schenkingsakte neer te leggen is het opnieuw oorlog op het voormalig soldatenland, waar de bomen als voor het appel staan aangetreden en waar de familieleden bezig zijn al hun tactische middelen in stelling te brengen. Zodra het gekletter van echte wapens is verstomd, wordt er een virtuele oorlog uitgevochten met andere middelen, die niet minder desastreus blijken.