Verhoor bankier Meys in zaak Nusse Brink 'pure tijdverspilling'

AMSTERDAM, 21 APRIL. ABN Amro-bestuurder en voormalig beursbestuurder Dick Meys vond het pure tijdverspilling. “Tijdverspilling”, dicteerde rechter-commissaris mr. F. Bauduin gisteren onverstoorbaar aan zijn griffier tijdens het voorlopige getuigenverhoor in de zaak van het effectenhuis Nusse Brink. Deze commissionair ging in augustus 1993 door mislukte speculaties op dalende koersen failliet.

Meys had er alles aan gedaan om te voorkomen dat hij moest worden gehoord in de zaak die effectenhuis Van Meer James Capel heeft aangespannen tegen de beurs. Niet omdat hij iets te verbergen had, maar omdat hij zijn verhoor zinloos vond. Bauduin was echter onverbiddelijk.

Als plaatsvervangend voorzitter van de beurs gaf Meys op 22 juni 1993 tijdens de vakantie van beursvoorzitter Van Ittersum het controlebureau van de beurs opdracht een onderzoek te doen naar Nusse Brink. Dat leidde uiteindelijk tot de ontmanteling van de commissionair. Maar die opdracht was niet meer dan een formaliteit, zei Meys. “De praktijk was dat ik zo'n verzoek gewoon aftekende.” “Mijn opstelling als waarnemend voorzitter was inhoudelijk buitengewoon terughoudend”.

Rechter-commissaris Bauduin ging even op de punt van zijn stoel zitten toen Meys op een vraag van Capel-advocaat mr. E. de Bouter toegaf dat hij tevoren met de beursadvocaat mr. H. Van Everdingen had overlegd. Maar, zo verzekerde Meys hem, dat ging niet over een inhoudelijke afstemming. Het onderhoud ging over de vraag of hij nog van de verhoren af had kunnen komen.

Van Meer James Capel beoogt met de verhoren te onderzoeken of zijn schadeclaim van 4,6 miljoen gulden tegen de beurs kans maakt. De Nederlandse effectendochter van het Britse James Capel beticht de beurs van falend toezicht op Nusse Brink, het voormalige beurslid dat door Justitie van onder meer witwassen wordt verdacht. Nusse Brink kon tot vlak voor haar faillissement nog met Capel-dochter Van den Broek handelen. De beurs greep niet in, terwijl ze wist dat Nusse Brink in feite al lang failliet was, zo luidt het verwijt. Toen Nusse Brink uiteindelijk omviel - vooral als gevolg van grootscheeps mislukte speculaties op koersdalingen - bleef Van Meer James Capel met een deel van de brokken zitten.

Meys kon zich gisteren weinig herinneren van het debâcle rond Nusse Brink. De bankier had niet de moeite genomen de geheime notulen van de bestuursvergadering van de beurs door te nemen. Maar één ding stond hem wel duidelijk voor de geest. Ongevraagd verklaarde hij met klem dat het hoofd van het controlebureau, H. Te Beest, niet met opzet gebruik had gemaakt van de afwezigheid van Van Ittersum om juist Meys toestemming te kunnen vragen. “Dat zou ik me scherp hebben herinnerd”, aldus Meys.

De suggestie van een talmende beursvoorzitter die te laat ingreep wordt gedaan in het verzoekschrift om getuigen te verhoren. Al in november 1991 wist Van Ittersum van financiële problemen bij het effectenkantoor. De beurs heeft echter altijd volgehouden dat die problemen verholpen waren. Bovendien greep de beurs - ditmaal onder leiding van Meys - pas in juni 1993 in, hoewel al in april van dat jaar door het controlebureau onregelmatigheden in de boekhouding van Nusse Brink waren geconstateerd.

Gevraagd naar de hardheid van die suggestie, hield Capels advocaat De Bouter zich na afloop van de zitting op de vlakte: “Ik heb dat verzoekschrift niet opgesteld.” De Bouter wilde nog niet zeggen of hij met de reeks getuigenverhoren - onder meer met Van Ittersum en de directeuren van Nusse Brink - voldoende materiaal heeft voor een definitieve claim tegen de beurs.