Twee lezingen van een gesprek

HAARLEM, 21 APRIL. Enkele weken nadat ze op 1 januari 1994 in Den Haag was begonnen als procureur-generaal, ontving mr. W. Sorgdrager de Rotterdamse CID-officier van justitie mr. R. de Groot. Zij voerden “een oriënterend gesprek” over “algemene ontwikkelingen” bij het openbaar ministerie, aldus een gistermiddag verspreide verklaring van het Rotterdamse parket.

In het gesprek kwam, aldus de minister gisteravond op een persconferentie, niet de operatie ter sprake waarbij door middel van het 'runnen' van een informant werd geïnfiltreerd in een van de grootste Rotterdamse drugsbendes. De operatie zou later fors uit de hand lopen omdat 20.000 kilo softdrugs 'gecontroleerd' op de markt werd gebracht zonder dat vervolging tegen de drugsbende kon worden ingesteld.

Eerder deze week meldde deze krant dat de uiterst gevoelige operatie met medeweten van de toenmalige procureur-generaal werd uitgevoerd. Twee lezingen van één gesprek. Hoe is het werkelijk gegaan? De Groot zelf wil die vraag desgevraagd niet beantwoorden. “Het lijkt me het beste mijn mond te houden”, meldt hij per telefoon uit Curaçao, waar hij op een geheime onderzoeksreis is.

Intussen groeit de nervositeit bij adviseurs van minister Sorgdrager, de Haarlemse politie en het Rotterdamse parket. “Er is iets vreselijk misgegaan”, zegt een adviseur van de minister.

Het in januari 1994 gevoerde gesprek tussen Sorgdrager en De Groot kan niet los worden gezien van een andere infiltratieoperatie waarover destijds de gemoederen in kringen van politie, justitie en ministerie uiterst verhit waren geraakt - commotie die later zou uitgroeien tot 'de IRT-affaire'.

In de dezer dagen bekend geworden Rotterdamse affaire werd dezelfde opsporingstechniek gebruikt die in Amsterdam tot de 'ontploffing' van het IRT leidde. In zowel het Rotterdamse als het Amsterdamse onderzoek speelde de Criminele-Inlichtingendienst van de Haarlemse politie (CID) een cruciale rol. Eind 1993 groeide in Haarlem de spanning met de dag. Berichten sijpelden binnen over onvrede bij de Amsterdamse politie over de operatie waarmee het Amsterdams/ Utrechtse IRT probeerde het misdaadsyndicaat op te rollen dat de vermoorde mafiabaas K. Bruinsma had nagelaten. Uit interne notities en reacties van hoofdstedelijke politiemensen werd duidelijk dat ze bedenkingen hadden tegen de techniek die politie en justitie daarbij hanteerden: via de methode van 'gecontroleerde aflevering' werden drugstransporten doorgelaten om zo de bazen van de erven-Bruinsma te kunnen aanpakken.

Pag.2: Politieteam vroeg expliciete steun van top justitie

De onderzoeksmethode leidde op 7 december 1993 tot de plotselinge ontbinding van het IRT door de Amsterdamse driehoek. Burgemeester Van Thijn, korpschef Nordholt en hoofdofficier Vrakking noemden de techniek in een persbericht “onaanvaardbaar”.

Kort vòòr die fatale datum had de CID Haarlem het voorstel aan de officier van justitie De Groot gedaan dezelfde methode toe te passen om één van de grootste hasj-bazen van de Maasstad te ontmaskeren. De CID was in contact gekomen met een informant uit het criminele milieu die in staat was gedetailleerde gegevens aan te leveren over een Rotterdamse hasjbaas en zijn bende. Hij bood De Groot aan de informant te gaan 'runnen' met, zoals de CID-regels dat voorschrijven, twee Haarlemse rechercheurs. De Rotterdamse CID-officier van justitie vroeg enkele weken bedenktijd voor overleg en afstemming binnenshuis.

Toen De Groot later die maand - de ontbinding van het IRT was al een feit - wederom met Haarlemse en Rotterdamse politiemensen de operatie besprak, wilden politiemensen voorkomen dat, zoals in Amsterdam, hoge politie- en justitiefunctionarissen later zouden verklaren dat het hier een onverantwoorde techniek betrof. Zij hechtten eraan te kunnen wijzen op expliciete instemming van de top van het openbaar ministerie en vroegen De Groot de zaak aan de procureur-generaal te melden.

Op dat moment was er echter geen procureur-generaal in Den Haag. Die functie, waaronder ook de verantwoordelijkheid voor het Rotterdamse parket valt, was al bijna een jaar vacant. Maar binnen enkele weken werd de nieuwe PG verwacht, ze was al benoemd: mr. W. Sorgdrager begon per 1 januari 1994 met haar werk.

Kort na haar komst had De Groot een gesprek met haar dat, zo zeggen bronnen in de nabijheid van De Groot, handelde over de zaken die speelden bij het Rotterdamse parket. Sorgdrager verklaarde gisteravond - na een speciaal ingelast onderhoud met voorzitter Van Traa van de parlementaire-enquêtecommissie - dat ze in dat gesprek niet op de hoogte werd gebracht van de operatie en de daarbij gehanteerde methode. Ze zei dat ze destijds “niets wist” en nog altijd “niets weet”. Ze gaf gisteren geen beoordeling van de methode, maar vorig jaar april keurde ze deze tegenover Het Parool goed: “Als die informant alleen in soft drugs handelt en dit stap voor stap onder begeleiding van een officier van justitie doet, dan denk ik dat het kan.”

Feit is dat men er begin vorig jaar zowel bij de Rotterdamse als Haarlemse politie van uitging dat de zaak op het hoogste justitiële niveau beklonken was, hoewel De Groot daarover nooit schriftelijk aan de korpsen rapporteerde. Maar gevoed door informatie van de twee Haarlemse 'runners' en ondersteund door de Rotterdamse recherche was hij uiterst voortvarend aan de slag met de 'gecontroleerde aflevering'. Terwijl de IRT-affaire steeds dramatischer vormen aannam - na publikatie van het rapport-Wierenga in april stonden twee ministers en de Amsterdamse justitie- en politietop onder druk af te treden - werden diverse transporten met voornamelijk weed doorgelaten. In totaal kwamen op deze wijze van eind 1993 tot begin dit jaar zo'n 20.000 kilo soft drugs met medeweten van de Rotterdamse justitie op de vrije markt; het betrof vrijwel uitsluitend weed en een beetje hasj.

In de zomer van vorig jaar deed zich in Haarlem een belangrijke personele wijziging voor. De zittende CID-chef, die tijdens de IRT-affaire van corruptie was beschuldigd en door een rijksrecherche-onderzoek was vrijgepleit, solliciteerde naar een nieuwe functie bij de recherche. Hij moest, als gevolg van gevreesde wraakacties uit het criminele milieu, enige maanden 24 uur per dag door de Dienst Persoonsbeveiliging van het Korps Landelijke Politie Diensten beschermd worden. Bij de Haarlemse CID kwam een nieuwe chef, en de dienst werd grondig gereorganiseerd - er moest een einde komen aan de cultuur van relatief grote vrijheid die de Haarlemse CID jarenlang kenmerkte. Zo diende de nieuwe chef voortaan wekelijks aan de korpsleiding te rapporteren over lopende operaties.

Toen de CID-chef vertrok, zat ook het Rotterdamse onderzoek bij de erfenis. Het werd op dat moment al afgebouwd. Niettemin zou het tot januari van dit jaar duren voordat het onderzoek definitief werd afgerond. De korpsleidingen van Haarlem en Rotterdam waren van het onderzoek op de hoogte. Toen daarna de ontdekking op het Rotterdamse parket volgde dat er miljoenen guldens waren kwijtgeraakt, vroegen de Rotterdamse hoofdofficier De Wit en zijn Haarlemse collega De Beaufort om een onderzoek door de rijksrecherche.

Toch heerste bij de Rotterdamse recherche de laatste dagen bepaald geen paniek. Bij de Rotterdamse politie valt te vernemen dat alle onderdelen van het onderzoek schriftelijk zijn vastgelegd. Het hoofd van de recherche, commissaris H. Janssen, reageert dan ook onderkoeld. Net als De Groot zit hij in een warm buitenland. De faxen met artikelen over de Rotterdamse affaire liggen op zijn nachtkastje in zijn hotel in New Orleans, waar hij een fellowship volgt. “Maar ik slaap hier voortreffelijk”, aldus Janssen.

Dezelfde Janssen was de auteur van de drie geheime delen van het rapport-Wierenga, waarin de methode die tot ontbinding van het IRT leidde werd doorgelicht. In dat 'rode boekje' (zo genoemd omdat het rapport op rode velletjes is getypt zodat kopiëren onmogelijk is) wordt geanalyseerd dat de methode van het IRT niet onverantwoord was - een conclusie die door de commissie-Wierenga werd overgenomen. Ook het kabinet schaarde zich vorig jaar achter dat standpunt. Maar in de Tweede Kamer bestonden sterke aarzelingen, niet in de laatste plaats bij het toenmalige Kamerlid, nu minister, H. Dijkstal (VVD) die daarom aandrong op een parlementair onderzoek naar de opsporingsmethoden. Zijn wens van destijds is inmiddels uitgegroeid tot een parlementaire enquête.

De Rotterdamse operatie bracht deze week op het parket van de PG in Den Haag veel rumoer en nervositeit teweeg. Verschillende bronnen laten blijken dat “er iets heel erg mis is gegaan, vooral met het CID-werk”. De laconieke reacties die eerder deze week vielen op te tekenen, zijn vervangen door een atmosfeer van bezorgdheid, ook in de omgeving van de minister. Op het PG-parket werd, zo vertelde een medewerker daar, “vertwijfeld onderzocht wat er aan de hand was”.

De bekendmaking gisteren van het Rotterdamse parket en vervolgens minister Sorgdrager zelf dat de toenmalige PG nooit door hem op de hoogte is gesteld van het onderzoek in Rotterdam, heeft bij justitie en politie niettemin voornamelijk verwarring gesticht. En niet alleen in Haarlem en Rotterdam. Ook bij voorbeeld bij de leden van de commissie-Wierenga.

Die commissie hield vorig jaar in detail het werk, het functioneren en de gehanteerde onderzoeksmethoden van het IRT Noord-Holland/Utrecht tegen het licht - het meest geavanceerde, best uitgeruste rechercheteam dat dit land op dat moment ooit had gekend. Uit het onderzoek van 'Wierenga' bleek dat dit IRT welgeteld éénmaal de methode van 'gecontroleerde aflevering' had toegepast - en pas nadat procureur-generaal Van Randwijck met de toepassing ervan expliciet had ingestemd.

Uit de lezing die het Rotterdamse parket en Sorgdrager gisteren gaven over de gang van zaken voorafgaand aan de toepassing van dezelfde methode moet, zo bevestigen diverse bronnen, worden opgemaakt dat in de Maasstad de laatste jaren vele malen sprake is geweest van 'gecontroleerde aflevering'. De redenen zijn, zeggen ze, vooral gelegen in het feit dat in Rotterdam als havenstad nu eenmaal veel (internationaal) transport plaats heeft. Dat dwingt justitie er bovendien toe veelvuldig samen te werken met vooral Amerikaanse onderzoeksautoriteiten die weinig aarzelingen hebben met controlled delivery van drugs of, wat ook gebeurt, zwart geld. Het aantal van dit soort acties dat sinds 1991 - toen 'gecontroleerde aflevering' voor het eerst werd toegestaan - in Rotterdam plaats had, wordt zo hoog ingeschat dat gevreesd wordt voor een dramatische wending van de parlementaire enquête.

Want slechts een kleine kring van politie- en justitiemensen is met deze praktijk op de hoogte. De Amsterdamse driehoek was destijds niet voor niets geschokt door de ene keer dat het IRT ermee had gewerkt. Ook iemand als commissaris D. van Dop, hoofd divisie georganiseerde criminaliteit in Brabant, noemt de consequentie van de methode - de gedoogde import van duizenden kilo's soft drugs - “onvoorstelbaar”. Maar op het ministerie van justitie wijst men erop dat de methode van de 'gecontroleerde aflevering' menigmaal door Nederland in internationaal verband is goedgekeurd en zelfs bepleit. Bij voorbeeld, zegt een adviseur, op een recente ambtelijke bijeenkomst van de Task force on money laundering van de G7 - de groep van de zeven rijkste industrielanden.