Strijd om kapitalistische modellen bij 'Oost-Europa-bank'

Duitsers, Fransen, Britten en Amerikanen leveren in Oost- en Midden-Europa een gevecht om hun eigen model van de vrije markt ingang te doen vinden. Scheppen de voormalige communistische landen een Angelsaksisch beurzenkapitalisme met een grote rol voor beleggers? Een Duits bankenkapitalisme met een sterke leningencultuur? Een Frans mercantilistisch kapitalisme, waarin overheid en economie verweven zijn? Bij de Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) wordt deze strijd op miniatuurformaat gevoerd. “De bank moet maar verhuizen naar Byzantium. Dan kunnen de Fransen van daaruit een nieuw Oostromeins rijk opbouwen.”

Haastig passeert een Bulgaarse bedrijfsadviseur in het financiële hart van Londen rond het middaguur de verzamelde bankemployees, die buiten zonder jasje bier staan te drinken in de voorjaarszon. Een massief blok visitekaartjes had ze meegenomen, maar dat is inmiddels in grijpgrage handen verdwenen bij de kermis rond de jaarvergadering van de Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD). In de hal van het Liverpool Street Station legt ze een nieuwe voorraad kaartjes aan voor de 3000 verzamelde bankiers, politici, zakenlieden en diplomaten in het zwaarbewaakte Barbican Centre.

De kaartjes vormen de informele toegangsbewijzen tot het kapitalisme, dat de landen in Oost- en Midden-Europa geacht worden te omarmen. Maar tot welk kapitalisme precies? Het Brits-Amerikaanse beurzenkapitalisme? Het Duitse bankenkapitalisme? Het Franse mercantilistisch kapitalisme? De verschillende gedaanten van de vrije markt zijn immers aanwezig bij de ronde tafel-gesprekken, lezingen en symposia rond de EBRD-vergadering, die vorige week is gehouden.

De bankiers uit de Verenigde Staten, Groot-Britannië, Duitsland, en Frankrijk tekenen ieder hun plattegrond voor de toekomstige economie van Oost-Europa. Ieder wil Oost-Europa herscheppen naar zijn beeld, of liever naar het succesvolle model van het eigen land. De Britten en Amerikanen goochelen luidruchtig met macro-economische getallen en mogelijkheden voor de opbouw van kapitaalmarkten. De Duitsers pleiten bescheiden maar zelfbewust voor de voorzichtige opbouw van het midden- en kleinbedrijf met behulp van kleine leningen. De Fransen wijden afstandelijk uit over grootschalige projecten voor de infrastructuur en de hoogwaardige technologie.

De woordenstrijd in Londen is een echo van de werkelijke slag die in de voormalig communistische landen wordt uitgevochten tussen de verschillende vrije markt-marktculturen. De liberalisering van de economie, de opbouw van banken en effectenbeurzen, de privatisering van staatsbedrijven, de stabilisering van de munten, de structurering van het bedrijfsleven; het vindt allemaal zijn weerslag in de wetgeving en overheidsmaatregelen, waarvoor zowel Duitse als Amerikaanse juristen bijstand verlenen. De Oosteuropese regeringen moeten daarbij kiezen tussen het ongebreidelde Angelsaksische kapitalisme van de beleggers, de meer conservatieve variant in Duitsland van bankiers en ondernemingsbestuurders en het Franse model waarin politiek en economie sterk met elkaar zijn verweven.

De uitkomst van deze strijd is ook belangrijk voor de koers van de Oost-Europabank, waarin de VS, Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk de grootste aandeelhouder zijn. De bank, die in 1991 is opgericht om de overgang in Oost- en Midden-Europa te ondersteunen, financiert jaarlijks tientallen projecten in de vorm van leningen, garanties of aandelenparticipaties. De selectie daarvan hangt mede af van de blauwdruk die wordt gemaakt van de toekomstige economiën.

In de ogen van veel Europeanen bij de EBRD-bijeenkomst is de bank een speeltje geworden van de Franse regering, die erin is geslaagd om het eigen economische model door te drukken. “De Franse bank, pardon, Europese bank”, is een populaire verspreking onder de Britten. “Het hoofdkantoor moet maar worden verplaatst naar Byzantium. Dan kunnen de Fransen van daaruit een nieuw Oostromeins rijk opbouwen”, schampert een lid van de Britse delegatie. De naam van Jacques Attali, die twee jaar terug moest aftreden wegens buitensporige uitgaven, is voor menigeen de personificatie van het Franse kwaad. Als 'bewijs' voor de Franse invloed wordt verwezen naar de hoeveelheid Fransen in het bestuur, met Jacques de Larosière als president, en naar de relatief grote hoeveelheid leningen voor Franse ondernemingen.

Inderdaad telt de portefeuille van de EBRD een aantal opvallende projecten, waarmee de Fransen bemoeienis hebben. De bank heeft geld gestopt in een joint venture van het Tsjechische Karosa met de autofabriek Renault voor de opbouw van een vrachtwagen- en busfabriek. Enkele jaren terug steunde de bank de participatie van Air France in de Tsjechische luchtvaartmaatschappij. Het Frans-Britse GEC is kandidaat voor de voltooiing van de omstreden kerncentrale in Mochovce in Slowakije, waarvoor mogelijk een lening van ruim 400 miljoen wordt verstrekt. Dat zou de grootste in de geschiedenis van de bank zijn.

Voor de in Londen veelgehoorde suggestie dat deze grote leningen voor 'Franse' projecten te danken aan zijn aan de Fransen binnen de bank bestaat geen grond. Er zijn duidelijke criteria voor de leningen, die ook worden beoordeeld door een strikt onafhankelijke kredietcommissie waarin veel landen zijn vertegenwoordigd. De verklaring moet veel eerder worden gezocht in de natuurlijke verwantschap van een multilaterale instelling als de EBRD met de inrichting van de Franse economie, meer dan met de Duitse of Angelsakische.

De Oost-Europabank stopt immers belastinggeld in de wederopbouw van landen die het veelal aan de meest elementaire voorzieningen ontbreekt. De bank is (mede)financier bij investeringen in de aanleg van wegen, functionerende telefoonnnetten en een elementair financieel systeem. Als deze infrastructuur vorm heeft gekregen wordt de verdere ontwikkeling overgelaten aan het particuliere initiatief.

De aanpak van de bank laat zich enigszins vergelijken met manier waarop de Franse overheid al eeuwenlang een vooraanstaande rol speelt in de opbouw van de eigen economie. Het land kent grote staatsondernemingen die mondjesmaat worden geprivatiseerd en omvangrijke particuliere conglomeraten, waarin politici veel te vertellen hebben. Afgestudeerden van de vermaarde hogescholen pendelen veelal tussen politiek, ambtenarij en bedrijfsleven. De staat houdt met miljarden ondernemingen als Crédit Lyonnais en Air France overeind en subsidieert op grote schaal de Franse export dan wel de verwerving van orders in het buitenland. Het land blinkt uit in technologisch hoogwaardige projecten zoals de befaamde hogesnelheidstrein TGV, de tientallen kerncentrales en in Zuid-Frankrijk het glasvezelnet voor de telecommunicatie.

Franse ondernemingen beschikken daardoor veelal over de technologische kennis voor onder meer de opbouw van de infrastructuur in de Oosteuropese landen. Tegelijkertijd zijn Franse bedrijven gewend aan ondersteuning met overheidsgeld en daardoor snel geneigd voor de medefinanciering een beroep te doen op een instelling als de EBRD. Dat geldt niet alleen voor een conglomeraat als GEC Alsthom (treinen, energiecentrales) maar ook voor een voedingsmiddelenconcern als Danone, dat voor de opbouw van een dochteronderneming in Polen een lening krijgt.

Duitse ondernemingen doen voor de opbouw in Oost-Europa minder snel een beroep op de bank, die hun in zijn grootschalige opzet wezensvreemd is. De ruggegraat van de zeer succesvolle Duitse economie wordt traditioneel gevormd door de kleine en middelgrote ondernemingen, die in Duitsland onder de noemer Mittelstand vallen. Het is dan ook niet voor niets dat de Duitse minister van financiën, Theo Waigel, er bij de EBRD-vergadering op heeft aangedrongen op om ook in Oost-Europa de “Mittelstand meer tot motor van de economische groei” te maken. Het Duitse zelfbewustzijn onderstreept hij daarbij door zijn weigering Engels te spreken - een taal die hij perfect spreekt - en de tolken te verbieden zijn Duitse toespraak te vertalen.

Voor de financiering van hun expansie in Oost-Europa doen Duitse bedrijven liever een beroep op de vertrouwde huisbankiers, die in zekere zin de achitecten van het Wirtschafswunder zijn. Duitsland kent naast de drie grote banken - Deutsche, Dresdner en Commerz - zo'n 500 regionale banken, die de bedrijven behalve van leningen ook van aandelenkapitaal en commissarissen voorzien. Deze banken pompten na de Tweede Wereldoorlog de Marshall-gelden in de economie en doen nu hetzelfde in Oost-Duitsland met het kapitaal uit het westelijke deel. Dezelfde banken verschaffen hun vertrouwde ondernemingen leningen bij de oversteek van de lange grens, die Duitsland heeft met Oost-Europa.

Duitse bankiers helpen bovendien in landen als Hongarije, Tsjechië en Polen met de opbouw van een systeem van lokale banken, die niet alleen Duitse maar ook plaatselijke ondernemingen van geld voorzien. De vice-president van de centrale bank van Tsjechië, Jan Vit, rekende vorige week voor dat het aantal bankemployees in zijn land de laatste jaren is toegenomen van 8000 tot 55000. Een groot deel van de nieuwe generatie bankiers is opgeleid in Duitsland, waar de financiële cultuur traditioneel zeer voorzichtig en conservatief is met de nadruk op kredietverlening. “Duitse bankiers zitten in een groot aantal opleidingsprojecten in Oost-Europa en we zetten steeds meer van dat soort projecten op”, zegt voorzitter Siegfried Hildebrandt van een internationale bankiersvereniging in Bonn.

De belangstelling van de EBRD voor dergelijke kleinschalige projecten is niet bijzonder groot. “Onlangs heeft de EBRD voor het eerst wat geld gestopt in een klein bankproject in Hongarije. Dat is een teken dat ook bij de EBRD de laatste tijd wat meer interesse komt voor het midden- en kleinbedrijf”, zegt Hildebrandt. De officiële lijn van de EBRD, die bij de laatste vergadering is herbevestigd, luidt dat inderdaad meer geld moet worden gestoken in de particuliere sector van Oost-Europa en dan bij voorkeur in de kleinere ondernemingen. De praktijk is daarbij overigens weerbarstig, doordat de verlening van veel kleine kredieten meer tijd kost dan een aantal grote kredieten en dus kostbaarder is.

Voor de Britten en Amerikanen is de 'Duitse' aanpak een onvoorstelbaar priegelwerk, waarmee zij weinig affiniteit hebben. Het Angelsaksische geloof in de wederopbouw van Oost-Europa is gebaseerd op de ontwikkeling van de kapitaalmarkten, waarop bedrijven aandelen en obligaties kunnen uitgeven. Hoewel op de aandelenbeurzen van Boedapest, Warschau en Praag slechts enkele tientallen ondernemingen een notering hebben, circuleert inmiddels een grote hoeveelheid Engelstalige periodieken met technische analyses van aandelen, rijen macro-economische gegevens en talloze weetjes over allerlei sectoren. “De kapitaalmarkten vormen het ultieme symbool van de vrije markt-economie”, zegt vice-president Guy Selliers van de EBRD.

De bankiers en beheerders van beleggingsfondsen in Groot-Brittannië en de VS maken zich dan ook vooral druk over de opbouw van pensioenfondsen en verzekeraars, die door de aankoop van aandelen en obligaties een markt in stand kunnen houden. Buitenlandse beleggers zijn alleen bereid geld in de markten te steken als de overheden de regels voor onder meer de belastingheffing aanpassen. “De Angelsaksische fund managers zitten op enorme bergen geld en ze hoeven zich maar een keer te branden of ze blijven jaren weg”, zegt Nigel Williams, directeur van Creditanstallt Investment in Praag.

De manier waarop de Oosteuropese landen de simpele recepten krijgen voorgeschreven wekt af en toe grote irritatie op. “De belastingregels moeten worden aangepast”, zegt Williams. De Poolse staatssecretaris van financiën, Krzysztof Kalicki reageert: “Gaan jullie nu ook eens onze staatsobligaties kopen?”. Uit het publiek roept iemand: “Passen jullie nu de regels aan?” Kalicki riposteert: “En dan, als we dat doen, kopen jullie dan eindelijk wel ons schuldpapier?”

Hoewel de Oost-Europabank een Franse tintje heeft, gaat de werkelijke strijd in Oost-Europa tussen Duitsland en de Verenigde Staten, die trachten om de wetgeving op hun leest te laten schoeien. De Amerikanen zullen aan het einde van dit jaar zo'n 4 miljard dollar (6 miljard gulden) hebben besteed aan juridisch advies, die de cultuur van zeer liberale kapitaalmarkten en mondige beleggers moet bevorderen. De Duitsers hebben inmiddels 8 miljard mark (9 miljard gulden) uitgegeven aan lobbyisten en advocaten, die de meer conservatieve bankierscultuur voet aan de grond moet geven.

De Duitsers lijken aan de winnende hand in Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Kroatië en Letland, waar 'Europese banken' worden gevormd. Dat wil zeggen: banken die zich zowel bezighouden met kredietverlening als de activiteiten op de kapitaalmarkten, bezigheden die in de Angelsakische bankcultuur strikt zijn gescheiden. Met uitzondering van Polen hebben deze landen hun munt ook gekoppeld aan de Duitse mark.

De Amerikaanse cultuur slaat meer aan in Rusland, waar de massale voucher-privatiseringen zo'n 45 miljoen beleggers heeft geschapen. Een vruchtbare voedingsbodem voor talloze Amerikaanse effectenhuizen en beleggingsfondsen. De Russische delegatie kent naast de talloze regeringsvertegenwoordigers ook 150 particuliere ondernemers, die opvielen door de uiterst agressieve wijze waarop zij zich in het openbaar roerden. Breedgeschouderd in iets te nauwe pakken, strooien zij met visitekaartjes, spreken luid met elkaar en verkeren zij veelal in het gezelschap van Amerikaanse investment bankers. Zo maken zij de EBRD-bijeenkomst tot een openbare markt, een Madurodam-model van de uitgestrekte markten in Oost- en Midden-Europa.

Op deze markt is er volgens de Poolse politicus Kalicki sprake van een “schoonheidswedstrijd om te bepalen wie het meest liberaal is”. Meer ontwikkelde landen als Rusland, Polen, Hongarije en Tsjechië gooien in de beauty contest de hoogste ogen. De meeste landen timmeren bij de EBRD-bijeenkomst aan de weg in achterafzalen, waar de brochures hoog liggen opgetast als grote visitekaarten. Wist u dat Slovenië door de oorlog in voormalig Joegoslavië 40 procent van zijn afzetmarkt verloor? Dat in de Bulgaarse hoofdstad Sofia een enorm watergebrek heerst? De aanwezigen applaudiseren en wisselen visitekaartjes uit. Wil de echte kapitalist nu opstaan.