'Over liquidaties wordt niet gesproken, dat is afspraak'

De verbetenheid. Haast iedere week wordt er opgebeld door een Hagenaar die zich gedwongen voelt om mij - zonder dat hij aanvankelijk zijn naam wilde noemen - uit te leggen, dan wel eraan te herinneren, hoe verziekt het Haagse politieapparaat gedurende de oorlog was. En die vervolgens keer op keer een heel pak fotokopieën in de brievenbus doet waaruit zou blijken dat het Haagse verzet van hoog tot laag door verraders was gepenetreerd.

Of neem Rotterdam. Sinds drie weken heeft het zijn eigen oorlogsmuseum, maar men moet wel een echte Rotterdammer zijn om het te kunnen vinden. Het ligt ver weg. Helemaal op Zuid, in het vroegere havenkwartier Katendrecht.

Maar goed: het is er. Niet dat de Rotterdammers zoveel behoefte aan zo'n museum hadden. Daartoe is oprichter en directeur Arie Mast er vijftien jaar geleden ook niet aan begonnen. Hij deed het voornamelijk omdat hij een ernstig oorlogstrauma had en zijn psychiater het raadzaam vond dat Arie zich “op een positieve manier” met de oorlog ging bezighouden en zoiets als een museum zou gaan inrichten.

De niet al te grote verzameling ziet er goed uit. Vooral een natuurlijke nabootsing van de grienden en kreken van de Biesbosch waar in het laatste oorlogsjaar meer dan vierhonderd crossings met geheime agenten, radiozenders, wapens, geneesmiddelen (insuline), rapporten en post werden uitgevoerd, prikkelt de fantasie.

Bij de museumingang zitten vijf kranig uitziende mannen koffie te drinken. Verzetsmensen naar al spoedig blijkt. Onmiddellijk komt het gesprek op hun rol in de oorlog en over het verzet in Rotterdam. Er is net een goed boek over gepubliceerd, zegt een man die zich destijds van de schuilnaam Pierre bediende maar nu weer gewoon Van der Sluis heet.

Hij doelt op de publikatie Guerrilla in Rotterdam, de paramilitaire verzetsgroepen 1940-1945 (Den Haag, 1995) van de Rotterdamse sociaal-historicus J.L. van der Pauw. De schrijver zou inzage hebben gekregen in particuliere archieven die voordien gesloten waren en openhartig hebben gesproken met tal van direct betrokkenen. Maar in het midden blijft of de openhartigheid wel van twee kanten kwam. Al met al zou er een nieuw en vollediger beeld zijn ontstaan van het gewapend verzet in Rotterdam, vooral in het laatste oorlogsjaar, toen de angst steeds meer vat op de verzetsmensen kreeg, er overal verraad was en geen adres meer veilig leek te zijn. De sabotage-aanslagen, overvallen en liquidaties komen daardoor in een ander licht te staan.

De laatste maanden voor de bevrijding brachten niet alleen een steeds ernstiger voedselnood, maar ook de verschrikking van de openbare fusillades met zich mee. Het paramilitaire verzet was harder geworden en dat gold niet minder voor het optreden van de Duitsers, die met alle middelen hun macht wilden handhaven. Aanslagen op Duitse militairen en hun handlangers hadden in Rotterdam vaak uitgebreide represailles tot gevolg.

Als ik met het oog daarop Van der Sluis vraag naar de betekenis van de kwantitatief sterke uitbreiding van het verzet nadat medio 1944 duidelijk geworden was dat de geallieerden aan de winnende hand waren en tevens informeer naar de afrekeningen die het gewapend verzet in het voorjaar en in de zomer van 1945 ondernam, reageert hij furieus. Hij schreeuwt het uit: “Meneer, daarover praten we niet!” Een kameraad roept nog: Rustig aan alsjeblieft, maar hij herhaalt: “Over liquidaties wordt niet gesproken. Dat is vaste afspraak.”

Vijftig jaar na de oorlog mag over het gewapende verzetswerk in Rotterdam en over de eigenzinnige manier waarop met verraders en tegenstanders werd omgesprongen, slechts met grote voorzichtigheid worden gesproken. Albert Oosthoek, schrijver van het boekje De knokploeg Rotterdam-Zuid (Rotterdam, 1990) merkte dat al eerder. Van zijn doctoraalscriptie 'de Rotterdamse knokploeg' mocht pas een handelsuitgave verschijnen, nadat er in het manuscript tal van passages geschrapt of herschreven waren.

“De deksel moet nog altijd voor een groot deel op de put blijven”, vindt een zekere Chris, die bij diverse liquidaties was betrokken en daarover direct na de oorlog een pocket 'Guerilla in Rotterdam' heeft geschreven. Volgens deze Chris, die nog steeds zijn verzetsnaam voert, mag de put niet helemaal open omdat het voor de nabestaanden van geliquideerden nog altijd erg pijnlijk zou zijn om te horen hoe zij verhoord zijn, wat zij bekend hebben en hoe en door wie zij geëxecuteerd zijn. Daarom mag er ook niet te veel bekend worden over de manier waarop ene Kees Bitter, een voormalige knokploegleider die zich eind 1944 aan verraderswerk bezondigde, werd gedood.

Chris wil wel wat kwijt over de 'september-artiesten' die in het najaar van 1944 in grote aantallen bij de illegaliteit kwamen en die flink in diskrediet wisten te brengen. Het Rotterdamse verzet heeft er volgens hem een dagtaak aan gehad om te controleren wie wel of niet betrouwbaar was. Er zat, zo herinnert hij zich, vrij veel misdadig gespuis onder. Het ernstigste was dat in Den Haag. Maar ook in Rotterdam zijn er in het laatste oorlogsjaar circa honderd verraders, handlangers en gewone criminelen door het verzet uit de weg geruimd, waarop dan soms scherpe represailles in de vorm van fusilleringen door de bezettingsmacht volgden.

Over de uitbreiding na september 1944 van het georganiseerde verzet en de verandering in gehalte die daarvan het gevolg was, is vreemd genoeg niets te vinden in het boek Verzet in Nederland 1940-1945 ('En verpletterd wordt het juk') van C.M. Schulten, dat twee weken geleden is uitgekomen. Schulten, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam, huldigt de even ongewone als door anderen krachtig bestreden opvatting dat het Nederlandse volk een verzetsvolk was. Volgens hem bestond er in Nederland van het begin van de bezetting af een onmiskenbare en vrij algemene verzetsmentaliteit. Die zou verband houden met de hartgrondige Deutschfeindlichkeit van de Nederlanders. Met gevolg dat volgens Schulten, die in dit opzicht ver afstaat van zijn voorganger dr. L. de Jong, kan worden gezegd dat er “in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog op grote schaal verzet is gepleegd tegen de Duitse bezetter”.