Orgie met grammofoon; Art Spiegelman illustreerde cult-gedicht van Joseph Moncure March

Joseph Moncure March: The Wild Party. Met tekeningen van Art Spiegelman. Uitg. Pantheon Books (Random House), 111 blz. Prijs ƒ33,55 (geb.).

'Is er leven na Maus?'. Die vraag heeft stripmaker Art Spiegelman, tekenaar en schrijver van dit dierenverhaal over de holocaust, de afgelopen tijd meer dan eens moeten beantwoorden. In deze krant vertelde hij vorig jaar dat hij werkte aan een geïllustreerde uitgave van een vergeten gedicht uit de jaren twintig; het was een opluchting, zei hij, om weer te kunnen werken aan een normaal boek - “zonder joden, zonder nazi's, zonder katten, en zonder muizen.”

Dat 'normale boek' is nu verschenen, onder de titel The Wild Party - The Lost Classic by Joseph Moncure March. Het is een lang, verhalend gedicht over een feestje in drooggelegd New York dat uitloopt op een dronkemansruzie om een fatale vrouw. Toen The Wild Party in 1928 uitkwam werd het door de plastische beschrijvingen van seks en alcoholgebruik een succès de scandale; in Boston werd het zelfs in de ban gedaan. Een paar jaar later kende niemand de auteur meer; hij publiceerde nog een gedicht (The Set-Up), sleet zijn dagen als journalist voor The New York Times Magazine en stierf in 1977, op 77-jarige leeftijd.

In literatuuroverzichten is Joseph Moncure March niet eens terug te vinden. Misschien omdat zijn poëzie zo weinig vergelijkbaar is met die van zijn Amerikaanse tijdgenoten; The Wild Party heeft de toegankelijkheid van een volksballade en doet met zijn snel wisselende ritmes en makkelijk in het gehoor liggende rijmen nog het meest denken aan de uitgeschreven tekst van een popsong. 'Queenie was a blonde, and her age stood still,/ And she danced twice a day in vaudeville' luiden de openingsregels - en de lezer waant zich in een songtekst van Lou Reed. Sterker nog: de door March beschreven orgie van lust en drugs - die volledig uit de hand loopt en eindigt met een inval van de politie - lijkt een directe voorloper van het geruchtmakende rock 'n' rollnummer 'Sister Ray' dat Reed in 1968 met The Velvet Underground opnam.

March is goed in venijnige beschrijvingen: de wrede mond van een van de feestgangsters wordt vergeleken met 'een rood litteken dat kort geleden was opengegaan en weer was begonnen te bloeden'. En ook de impressies van het feestgedruis leveren mooie beelden op, zoals dat van de altijd maar doorspelende koffergrammofoon:

'Through all this sound/The Victrola kept flinging/ Dim snatches/ That had no end,/ No beginning./ Three couples circled/ Slowly:/ Clinging.

' Jammer genoeg staan daar ook passages tegenover waarin March - gedwongen door zijn metrum en zijn hoge tempo - vervalt in rijmelarij.

Een 'classic' zou ik The Wild Party niet willen noemen. De werkelijke attractie voor de moderne, aan seks en alcohol in de literatuur gewende lezer vormen de illustraties. Art Spiegelman omlijstte het gedicht met negentig kleine en grote tekeningen, in zwart-wit met een groengrijze steunkleur. De zware lijnen en de hoekigheid van de afgebeelde figuren herinneren aan Amerikaanse krantestrips uit de jaren twintig en dertig, de dreigende schaduwen aan expressionistische films als Het kabinet van Dr.

Caligari. Hoewel sommige illustraties de hand van de schepper van Maus verraden, is Spiegelman erin geslaagd om van The Wild Party iets heel anders te maken. Zijn portretten van verleidelijke vrouwen, Sjakie Strijkijzer-types en lichamen in alle mogelijke posities zijn zo sterk dat ze concurreren met de beelden die de dichter oproept. Wie The Wild Party leest, is dan ook geneigd om de tekst van March te beschouwen als illustratie bij de tekeningen - in plaats van omgekeerd.