Niet alleen welgestelden hebben een geschiedenis

Na een ingrijpende verbouwing opent het Historisch Museum Apeldoorn dit weekeinde zijn deuren in het voormalige stadhuis aan het Raadhuisplein. Het 19de-eeuwse pand biedt onderdak aan een collectie waarin het Veluwse plattelandsleven veel aandacht krijgt. “In de meeste Nederlandse musea is vooral te zien hoe welgestelde mensen leefden, maar daarmee geef je eigenlijk een vertekend beeld van de geschiedenis”, zegt directeur J. de Mol. Hij stelt zich ten doel het leven van boeren en handwerkslieden aanschouwelijk te maken.

Historisch Museum Apeldoorn, Raadhuisplein 8, di-zat van 10 tot 17 uur, zondag 13-17 uur.

“Want Apeldoorn is heel lang een plattelandsdorp geweest en dat moet je dan ook in de collectie tot uiting laten komen.” Als voorbeeld wijst De Mol op de uit ca. 1250 daterende doopvont dat centraal staat in de opstelling op de begane grond. “Andere musea beschikken over doopvonten die mooier en veel rijker versierd zijn; maar het is aardig om ook eens te laten zien hoe een exemplaar eruit zag dat gebruikt werd in een eenvoudige boerengemeenschap met slecht opgeleide priestertjes.”

De vroegere inwoners van Apeldoorn zijn weinig zachtzinnig met dit museumstuk omgesprongen. Tijdens de reformatie werd de doopvont uit de kerk verwijderd. Ze belandde op het dorpsplein en werd daar door de koster als opstapje gebruikt wanneer er mededelingen van de overheid moesten worden voorgelezen. De doopvont was een van de eerste voorwerpen die een plaats kregen in de oudheidkamer die in 1896 al in Apeldoorn werd opgericht.

De eigenlijke voorloper van het huidige museum is van recenter datum. Vanaf 1976 was het museum gevestigd in de fabrikantenvilla Marialust. De Mol: “Op zichzelf een mooi gebouw, maar het was slecht bereikbaar. Met het openbaar vervoer kon je er nauwelijks komen.”

Met de bouw van een nieuw stadhuis diende een nieuwe locatie zich aan, maar het duurde even voor de gemeenteraad daarmee akkoord ging. In 1992 had de raad immers nog gesuggereerd het museum te sluiten. “Waarschijnlijk een proefballonnetje”, veronderstelt De Mol. Het museum werd een jaar later weliswaar gesloten, maar met de besparing die dat opleverde werd de verbouwing van het nieuwe museum gefinancierd. De Mol en zijn staf hebben de tussenliggende twee jaar benut om achterstanden in registratie en conservering weg te werken.

Het nieuwe museum toont naast archeologische bodemvondsten (urnen) en gebruiksvoorwerpen veel zaken die herinneren aan de papiernijverheid, een bedrijfstak die vanaf de 16de eeuw een bloeiend bestaan leidde op de Veluwe. Apeldoorn kreeg er nog geen stedelijke allure door. In tegenstelling tot omringende plaatsen als Deventer, Zwolle en Zutphen die in de late middeleeuwen tot wasdom kwamen, is Apeldoorn lang een onbetekenend dorp gebleven.

Pas in de tweede helft van de 19de eeuw, toen het door een spoorlijn en een kanaal ontsloten werd, begon Apeldoorn snel uit te dijen. De rijke middenklasse liet er villa's bouwen. Projectontwikkelaars prezen de bosrijke omgeving en lieten niet na te vermelden dat ook de koning in Apeldoorn woonde. De Mol: “Daar ging een niet te onderschatten aantrekkingskracht van uit.”

Kunstenaars als Mauve, Van der Weele en Thoolen kwamen langs om schetsen te maken. Een fabrieksinterieur van Thoolen is op de tweede verdieping te zien, naast werk van de Apeldoornse kunstenaar Jacob Jan van der Maaten (1820-1879). De opstelling toont hier heel duidelijk het contrast tussen de arme plattelandsbewoners en de gegoede nieuwkomers: de weelderig gedekte tafel van een rijke familie staat opgesteld naast een ruwe houten tafel uit een boerderij.

Op de derde verdieping bevindt zich een ruime tentoonstellingszaal waar vooral de sociale geschiedenis van Apeldoorn aan bod zal komen. “We hebben bijvoorbeeld een tentoonstelling over de tweede generatie Turken in Apeldoorn gehad die goed is aangeslagen.” De Mol constateert trots dat de bevolking zich nauw bij het museum betrokken voelt. Twee plaatselijke museumverenigingen getuigen daar al van, maar hij heeft nog een ander 'bewijs'. De suggestie om het musem op te heffen maakte in 1992 een storm van reacties los. “Er was geen straat in Apeldoorn te vinden waaruit niet ten minste één protestbrief afkomstig was. Dat is toch een duidelijk signaal dat het museum leeft bij de bevolking.”