Naar Oostland willen wij rijden

Ik moest bij het lezen van Das Gesicht der Niederlande, bewerkt en uitgegeven door SS-Obersturmführer Ernst Leutheusser, in opdracht van de Rijkscommissaris Seyss-Inquart, denken aan Tibet. Ik was daar in 1982, met een groep Engelse toeristen. Mijn opdracht was een artikel te schrijven over onze reis naar de Mount Everest. Tibet was - en is nog steeds - bezet door Chinese troepen. Terwijl wij reden door het prachtige woeste landschap, langs ruïnes van roofkastelen en kloosters, probeerde ik mij voor te stellen hoeveel een, laten we zeggen, Zweedse toerist, op vakantie in Nederland in 1943, zou hebben gemerkt van onderdrukking.

Ik denk even weinig als mijn medereizigers in Tibet. Zeker, het grote aantal soldaten zou de Zweed niet zijn ontgaan, en misschien was de politie wat zwaar op de hand, een beetje zoals de Guardia Civil op Franco's Spaanse stranden. Maar verder ging het leven zijn gang. Je was voor je plezier uit. Je zag wat je wilde zien: de mooie kerken, de gezellige markten, de aardige mensen, de voortreffelijke musea. Misschien raakte je zelfs wel in gesprek met een Duitse soldaat, een beleefde jongeman, die zijn vriendin in Hildesheim miste.

Zo was het ook in Tibet. De Chinese soldaten klaagden over heimwee. De Tibetanen waren te bang om openlijk te klagen, en lachten vriendelijk. Voor wie zijn ogen en oren goed gebruikte was het wel duidelijk dat er iets niet pluis was, maar de meeste mensen gebruiken hun zintuigen nu eenmaal gebrekkig. Wat we zagen was niet een politieke misstand, maar historische monumenten, cultuur op zijn oppervlakkigst. En ook dit was een deel van de Chinese propaganda. Tibet, zo werd ons verteld, was een 'autonoom gebied', maar ook een weliswaar primitief, maar toch onmiskenbaar lid van de Chinese familie; Tibet hoorde, op grond van haar geografische ligging en haar geschiedenis, bij het Chinese rijk.

Een dergelijke redenering vinden we ook in het genoemde SS-boek over Nederland. Das Gesicht der Niederlande geeft weer hoe de Duitse 'bezoekers' geacht werden Nederland te zien. Het is geen onsympathiek beeld. Nederland is een 'klein, maar mooi land'. En het Nederlandse Menschentum is 'in hoge mate artistiek begaafd'. Bovendien blinken de Nederlanders uit in 'ondernemingslust, strijdbare moed, nuchterheid en zin voor werkelijkheid'. Als de volksaard een gebrek heeft, is het een neiging tot koppigheid, maar zelfs dat kan, mits binnen de perken gehouden, positieve kanten hebben.

Tussen de fraaie foto's van kaasmarkten, veenderijen, zeilbooten op de Kaag, Volendamse schonen in klederdracht, de St.

Bavo in Haarlem, frisse, blonde boeren in Drente, en tuinders in Beverwijk, worden de moderne prestaties niet genegeerd. Ook de Afsluitdijk is afgebeeld, en de Maastunnel, de Rotterdamse haven, en het Noord-Hollands Kanaal. Het doet allemaal onweerstaanbaar denken aan bladen als China Reconstructs, die vanuit het maoïstische Peking over de wereld werden verspreid. Daar zag je diezelfde combinatie van klederdrachten, nijvere boeren en ambachtslui, en moderne verworvenheden.

Het is een plaatjesboek, dus het moet leuk blijven, maar de politieke boodschap is heel duidelijk. Hij komt hier op neer: de Nederlanders zijn een Germanisches Volk, waarvan de 'raciale kern' bestaat uit Friezen, Saksen en Franken. Wat dit betreft, en ook qua taal en cultuur, zijn de Nederlanders nauw aan het Duitse volk verwant. Al eeuwen trekken Nederlanders naar het oosten, en Duitsers naar het westen. Dit punt wordt door een oud liedje geïllustreerd: 'Naar Oostland willen wij rijden/ Naar Oostland willen wij mee/ Al over die groene heiden/ Frisch over die heiden/ Daar is er een betere stee'.

Helaas heeft de perfide Handelsgeist van Amsterdamse kooplieden en regenten het land steeds meer beïnvloed. Hun 'materialistische, burgerlijk-kapitalistische' mentaliteit heeft geleid tot de 'ontworteling' van het Nederlandse volk, het volk dus van die frisse, blonde boeren in Drente. De Amsterdamse kooplieden keken niet naar het verwante Oostland, maar naar de zee, naar Engeland, naar overzeese koloniën. En hier komt de aap uit de mouw: 'Door de daaruit voortkomende afhankelijkheid van Engeland, is het land steeds meer vervreemd van Europa, en een voorpost geworden van anti-Europese machten. Het bankroet van deze politiek is vandaag duidelijk. Als men geografisch bij een bepaald werelddeel hoort, kan men daar geen oorlog mee voeren, zonder zichtzelf schade te berokkenen'.

Geen wonder dat Duitse soldaten verbaasd waren over de vijandige houding van veel Nederlanders. In een nieuw boekje over Duitse soldaten in Nederland (Standort Holland van Aad Jongbloed), vertelt een voormalige bezetter: 'Wat ik aanvankelijk niet begrepen heb is waarom de Nederlanders zich zo verzet hebben tegen de gedachte van een groot-Duits rijk, een groot-Germaans of hoe je het maar noemen wilt. Wat nu gebeurt met de Europese Unie is niet anders dan wat ooit bedoeld werd.'

Niet alle Hollanders hebben zich hiertegen verzet. Sommigen meldden zich juist aan bij de Waffen SS om te strijden vóór een verenigd Europea, en tegen het bolsjewisme en het 'Angelsaksische materialisme'. In ieder geval waren noch deze Hollandse Euro-idealisten, noch de Duitse bezetters in Nederland, geïnteresseerd in democratie. Want dat was typisch iets voor die stedelingen in het westen, en niet voor de gezonde Germanen in het oosten.

Een oud SS-er beweert in Jongbloeds boek dat hij nog steeds weinig ziet in democratie: 'Ik wil niet terug naar het fascisme, begrijp me goed, maar enige vorm van dictatuur zou ik wel aanvaarden.' Dit is natuurlijk gefundenes Fressen voor Britse Euro-sceptici, die graag het pan-Europese ideeëngoed van het Derde Rijk citeren om te pleiten tegen Europese integratie.

En helemaal ongelijk hebben zij niet. Want pan-Europese idealen stoelden inderdaad op een historische traditie, die weinig op heeft met democratie of de vrije handelsgeest van 'ontwortelde' kooplieden.

Nu is de Europese Unie niet zomaar een voortzetting van het Derde Rijk. Integendeel, het Duitse Euro-idealisme is juist voortgekomen uit angst voor een herhaling van het verleden. Maar het gevaar bestaat dat ditzelfde idealisme afbreuk doet aan democratische instellingen die al bestaan, met name in Engeland en Nederland. Jammer genoeg zijn de Engelsen die hierop wijzen soms even demagogisch als de auteurs van Das Gesicht der Niederlande. Zij vormen een soort spiegelbeeld van de SS-propagandisten. Want ook sommige Britse Euro-sceptici hebben de neiging hun retoriek uitsluitend te baseren op cultuur, geschiedenis, en geografie. Zij praten wel veel over vrijheid en democratie, maar als diepgewortelde culturele waarden, die alleen voor Britten zijn weggelegd. Vrijheid begint pas bij de krijtrotsen van Dover.

Door te veel nadruk te leggen op cultuur en natuur, gaan we voorbij aan de politiek. En dat is precies de bedoeling. Als alles zou worden bepaald door natuurlijke, historische, ethnische, of culturele omstandigheden, hoeven we niet meer kritisch na te denken. Immers, alles met wortels groeit vanzelf. Dit is politiek in de vorm van culturele antropologie, de politiek van krijtrotsen, hunnebedden en blonde, frisse koppen, de politiek, kortom, van toeristenfolders, die benevelt in plaats van verlicht.