Met de technische cultuur in Nederland is niets mis

Dit is een verkorte versie van de toespraak die prof. Lintsen op 19 april in de Balie hield bij het verschijnen van het zesde en laatste deel van de serie Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Van deze serie is prof. Lintsen hoofdredacteur.

Veel Nederlanders denken dat hun land in technisch opzicht is achtergebleven. Dat is niet in overeenstemming met de waarheid, vindt Harry Lintsen. Nederland loopt in 'speerpunttechnologie' inderdaad niet voorop, maar we zijn wél inventieve volgers en kritische toepassers van technische vindingen.

Op 1 mei 1851 opende Koningin Victoria de Eerste Wereldtentoonstelling te Londen. Engeland pakte daar stevig uit en stelde zijn economische macht tentoon in het ongeëvenaard fraaie Crystal Palace. Technische vooruitgang werd daar zichtbaar in textielmachines, stoommachines, papiermachines, gereedschapswerktuigen en tal van andere machines. Technische vooruitgang werd daar gedefinieerd en Engeland werd definitief de norm voor de industriële revolutie.

Hoe verging het Nederland op die wereldtentoonstelling? Dat was snel duidelijk. Het was een ramp. De dichter Jacob van Lennep bezocht de tentoonstelling en ontwaarde bij de Nederlandse afdeling “een donkere woestenij”. Van Lennep vond het een schande wat daar te zien was en gaf twee soorten burgers de schuld: de 'staatsbestuurder' en de 'fabrikant'.

Meer dan 100 jaar later zullen bekende historici het hem nog nazeggen. Neem bijvoorbeeld professor Klein: “De Hollandse koopman leek te zijn ingedut op het zachte kussen van eertijds verzamelde rijkdommen. En de leiders van de industriële bedrijven uit deze periode treden ons tegemoet als tot de fatsoenlijke stand behorende, slome, dikbuikige ambachtsbazen, wier aan geestelijke vervetting lijdend brein hen verhinderde de sprong uit de traditionalistische bedrijfsvoering te wagen.”

Zelfkwelling en zelfbeklag zijn de Nederlanders niet vreemd. Dat geldt niet alleen voor het oordeel over de 19e eeuw, maar ook over de huidige tijd.

Voormalig minister Andriessen spreekt in diverse interviews over desinteresse in de techniek, en over geringe ontplooiingskansen voor techniek en industrie. Er zou zelfs techniek-fobie bestaan.

Ik zou graag voor eens en voor altijd willen afrekenen met het idee dat er iets mis is met de technologische cultuur in Nederland. De opvatting als zou er hier een anti-technische houding bestaan, zet iedereen in Nederland op het verkeerde been en richt de aandacht op de verkeerde punten. Laat ik drie argumenten noemen.

Een eerste punt is dat de discussie wordt vertroebeld door het imago en de symboliek van nieuwe technieken. Neem bijvoorbeeld de stoommachine. Zij is het symbool van de industriële revolutie. De stoommachine zou superieur zijn aan alle klassieke krachtwerktuigen, zou hogere vermogens op ieder gewenst tijdstip en plaats leveren, radicale kostenreductie mogelijk maken door grootschalige inzet en een universele krachtbron zijn.

Wat blijkt echter: meer dan een eeuw lang, zo tot het midden van de negentiende eeuw waren stoommachines technische monstrums. Het waren grote, grove, dure, steenkool-vretende machines. Bovendien waren zij verre van universeel. Zij werden in Engeland en andere landen lange tijd hoofdzakelijk ingezet in de mijnbouw voor het oppompen van mijnwater.

Het is daarom niet verwonderlijk dat Nederland tot circa 1850 de stoomtechniek nauwelijks toepaste. Nederland had bijna geen mijnen en voor de andere economische sectoren voldeed de elegante en goedkopere windmolen uitstekend.

Het probleem is echter dat de stoomtechniek stond voor wat we nu 'speerpunttechnologie' zouden noemen. Het niet-toepassen ervan stond gelijk aan achterlijkheid.

Wat stoom was voor de negentiende eeuw, dat zijn robots, computers, biotechnologie en lucht- en ruimtevaart voor deze tijd. Hun symboolwaarde is in vele gevallen groter dan hun praktische waarde.

Een tweede punt. Er is iets merkwaardigs met Nederland. Sinds mensenheugenis klagen wij over het gebrek aan technologische cultuur in Nederland. Hoe is het dan mogelijk dat Nederland in de Gouden Eeuw tot de koplopers in de wereld op behoorde? Kan een volksaard zo snel aftakelen?

Nederland was toen niet alleen een economische grootmacht, maar ook een technisch paradijs. Beide hingen sterk met elkaar samen. Techniek en industrie ondersteunden handel en scheepvaart en waren daar nauw mee verweven.

De bijdrage van Nederland aan de techniek in de Gouden Eeuw komt ondermeer tot uitdrukking in de benaming van toenmalige nieuwe technieken. Wij spreken bijvoorbeeld over de 'Hollandse windmolen' - een nieuwe type windmolen, over de 'Hollander' - een nieuw type maalbak in de Zaanse papiernijverheid en over 'Delfts aardewerk' - dat staat voor een serie vernieuwingen in de fabricage en decoratie van aardewerk.

Na de zeventiende eeuw verloor Nederland echter zijn koppositie. Ging daarmee ook de technische cultuur verloren? Natuurlijk niet. Het leven in Nederland is doordrenkt van techniek. Neem alleen het kunstmatig drooghouden van ons land - dat gebeurt al eeuwen met de meest inventieve middelen. Wel veranderde de technische cultuur: Nederland werd een volger in de technisch-economische ontwikkeling. Maar is een volgerschap problematisch? Ook dat niet. Daarmee ben ik gekomen aan mijn derde punt.

In de negentiende eeuw voltrok de modernisering zich op een breed front, in de landbouw, de dienstverlening en de industrie. Nederlandse ondernemers keken alert om zich heen, zochten naar nieuwe markten en maakten selectief gebruik van buitenlandse technische vernieuwingen. Bovendien maakten zij de buitenlandse vernieuwingen op creatieve wijze geschikt voor de Nederlandse situatie, de Nederlandse cultuur, de geologische condities en de maatschappelijke verhoudingen. De zojuist voltooide serie Geschiedenis van de Techniek in Nederland laat daarvan vele voorbeelden zien.

Ook in ander opzicht reageerde Nederland alert. In het zesde en laatste deel van de serie hebben wij uitvoerig aandacht besteed aan de maatschappelijke discussies over de techniek. Het blijkt dat men in Nederland gedurende de gehele negentiende eeuw de technisch-maatschappelijke ontwikkelingen in de omringende landen nauwkeurig volgde, en in het bijzonder oog had voor de schaduwzijde van de industriële revolutie, zoals die zich in Engeland afspeelde. Nederland leerde ervan en trachtte onder andere door wetgeving sociale wantoestanden te voorkomen, evenals een scherpe strijd tussen kapitaal en arbeid.

Kortom, Nederland was in de vorige eeuw een handelskapitalistisch land gebleven, maar dan in een aangepaste vorm gezien: aangepast in technisch, economisch en maatschappelijk opzicht. Het was gemoderniseerd, maar had zijn eigen tempo en eigen weg gevolgd. Techniek bleef in dit alles een belangrijke rol spelen.

Wat is dan het probleem met onze technologische cultuur? Het imago van Nederland is handel en dienstverlening. Dat mag van mij en beantwoordt aan de realiteit.

Nederland is tevens een volger in de technische ontwikkeling, een diffusieland (bepaalde terreinen als waterbouwkunde uitgezonderd). Ook daar is volgens mij niets mis mee. Het vereist een geweldige creativiteit en een omvangrijke technische infrastructuur om die rol goed te vervullen. Het hoort in feite bij onze handelskapitalistische status.

Het lot van de volger is dat hij zich voortdurend moet aanpassen aan veranderende omstandigheden. Dat is wat op dit moment weer speelt onder de algemene noemer van globalisering (waarbij moet worden opgemerkt dat die globalisering natuurlijk niet voor de eerste maal plaatsvindt). De creatie van de Europese markt en de opkomst van de nieuwe geïndustrialiseerde landen in het Verre Oosten zijn de karakteristieke ontwikkelingen van deze tijd. Wie goed kijkt en het wil zien, zal tot de conclusie komen dat Nederlandse handelslieden, financiers, ondernemers, werknemers en ingenieurs wederom een gezamenlijke inspanning aan het leveren zijn om de handel en bedrijvigheid in het eigen land aan te passen aan deze nieuwe omstandigheden. Een dergelijk aanpassingsproces moet niet verward worden met een anti-technische houding.

En ook met het Nederlandse volk is er niets mis. Zo werd er in 1993 een enquête gehouden onder Europeanen. Wat blijkt? Nederlanders zijn zeer geïnteresseerd in wetenschappelijke en technische ontwikkelingen en zij zijn zich uitermate bewust van het belang van wetenschap en techniek voor het dagelijkse leven en voor de economie. Nederlanders hebben in vergelijking met Belgen, Fransen, Duitsers en inwoners van andere EU-landen de meeste belangstelling voor uitvindingen en nieuwe technologieën.

Uit de enquête blijkt echter ook, dat de Nederlanders de meest kritische houding hebben. Zij pikken niet alles wat wetenschap en techniek te bieden hebben en gaan er niet zonder meer van uit dat wetenschap en techniek tot een gelukkiger en comfortabeler leven leiden. Zij staan sceptisch tegenover het scheppen van banen met behulp van computers en informatietechnologie. En zij maken zich druk over grootschalige projecten zoals de Betuwelijn, de uitbreiding van Schiphol en de dijkverzwaring.

Wie dat een anti-technische houding noemt, slaat de plank volledig mis. Een dergelijke kritische instelling tegenover techniek kan alleen toegejuicht worden. Het kan ons een hoop ellende besparen, zoals ook de geschiedenis leert. Nederlanders hebben een goede traditie in het kritisch volgen van de techniek en dat moet zo blijven.