Kastijd het volk

Ik beschouw mezelf niet als een handelaar in joodse slavinnen. De oude mevrouw Nassweiler doet dat kennelijk wel. Sinds ik haar heb kunnen overtuigen dat we familie van elkaar zijn belt ze me geregeld op om te vertellen dat haar zoon Jack 35 is en nog altijd geen leuk joods meisje heeft gevonden. “Als je er eentje tegenkomt laat me dat dan weten”, heeft ze gezegd. Je hoeft hier de contactadvertenties maar te lezen om te weten dat het wemelt van joodse mannen op zoek naar joodse vrouwen. En omgekeerd. Vooral joodse bruinharige mannen van gemiddelde lengte, tussen de 25 en 35 en met een goed inkomen zijn zeer in trek.

Twee weken van tevoren begon ze me uit te nodigen voor de sederavond. “De hele familie komt,” zei ze, “en daar hoor jij toch ook bij.”

“Dank u”, zei ik.

“En mijn zoon zal als een broer voor je zijn. Hij is een heerlijke jongen.”

“Wat ik momenteel aan familie heb is meer dan voldoende,” antwoordde ik.“Begrijpt u me niet verkeerd, maar ik heb geen familieuitbreiding nodig.”

“Heb je iets tegen joodse families,” vroeg ze geschrokken.

“Om heel eerlijk te zijn, tegen families van alle gezindten, maar vat u dit niet persoonlijk op.”

“Maar je wil toch later ook een gezin stichten. Heb je wel een beetje contact met joodse meisjes?”

“Ik doe niets anders, mevrouw Nassweiler.”

“Noem mij geen mevrouw Nassweiler, sugar,” riep ze, “ik ben Edith.”

“Ik wil u best Edith noemen, maar noemt u mij dan geen sugar,” stelde ik voor.

Ik herinnerde me dat Jan Wolkers tegen me had gezegd, “hoe jij je volk kastijdt.” Opeens had ik het gevoel dat God mij had uitverkoren om mijn volk te kastijden. Waarom ik, dacht ik, er zijn betere kandidaten. Maar ja, dat denken ze natuurlijk allemaal.

Sommige vrouwen spelen met het verlangen van mannen alsof hun leven er vanaf hangt. Andere doen hetzelfde met schuldgevoelens. Edith Nassweiler behoorde duidelijk tot de laatste soort. Uiteindelijk gaf ik toe en ik beloofde vrijdagavond naar de seder te komen.

Die vrijdag ging ik niet naar Engelse les. Ik kocht zes Miller Light en een Playboy om te kijken of Nancy Sinatra er al in stond. Maar ik was een Playboy te vroeg. Om zes uur nam ik een taxi naar Forrest Hills, een witte joodse buurt in Queens. Ook daar wonen al negers. De getto's veranderen langzaam van kleur.

Edith Nassweiler was een tengere vrouw met grijze haren. “Mijn dochter is net uit Los Angeles gekomen,” zei ze trots. Ik gaf haar dochter een hand. Ze was een gezet bruinharig meisje met een baby op haar arm. Ze had nog twee andere kinderen en een man die zo weggelopen leek te zijn uit de serie LA Law.

“En dit is Jackie,” zei ze, “Jackie, geef je achterneef eens een hand.” Jackie kwam uit de keuken tevoorschijn. Zijn hoofd was tamelijk opgeblazen, net als zijn lichaam. Hij begon kaal te worden, en zijn ogen stonden in zijn gezicht alsof ze verdwaald waren, alsof ze eigenlijk in een heel ander gezicht thuis hoorden.

“En dat is mevrouw Blum,” zei Edith. Ze wees op een klein zwaar opgemaakt vrouwtje dat Engels praatte met zo'n accent alsof ze twee dagen geleden van de boot was gestapt. Ze herinnerde me onweerstaanbaar aan Amsterdam-Zuid. We gingen op de bank zitten. “Ben je al in Las Vegas geweest,” vroeg Jack.

“Ik ga binnenkort.”

Ik zag dat onder zijn zwarte haar grote rode vlekken schemerden. Het waren geen wijnvlekken. Alle huidschilfers die hij ooit had gehad hadden zijn hoofd verlaten. Wat nu onder zijn haren zat kon het best worden samengevat met het woord 'korst'. Het jeukte blijkbaar enorm, want hij zat voortdurend aan zijn hoofd te krabben. Als zijn moeder zag dat hij dat deed siste ze 'Jackie'.

“Ben je joods,” vroeg mevrouw Blum. Ze boog zich naar mij toe en ik kon Amsterdam-Zuid nu zelfs ruiken.

“Nee”, zei ik, “ik kan alleen ontzettend goed doen alsof, maar ik ben dan ook al twintig jaar aan het oefenen.”

Even viel er een stilte. Toen begon Jack te lachen. Hij lachte zo lang en zo hard dat zijn moeder ten slotte riep, “Jackie, Jackie, veeg je mond af.”

Op dat moment kwam haar man binnen. Hij was nog kleiner dan zij, maar dat kon ook komen doordat hij krom liep. Ik stond op en gaf hem een hand. “Ik ben familie van uw vrouw,” zei ik.

“Mazzeltow,” zei hij.

Jackie fluisterde in mijn oor: “Hij zegt tegen iedereen mazzeltow, let er maar niet op.”

Ik wist opeens zeker dat God mij had uitverkoren Zijn volk te kastijden. Ik wist ook dat ik me niet meer zou verzetten. Ik zou doen wat me was opgedragen.

“Jackie,” riep mevrouw Nassweiler. En meteen daarna: “We kunnen gaan zitten.

''

Ik zat tussen mevrouw Blum en Jackie in. Ik kon horen hoe zijn moeder siste, “Jackie, doe in godsnaam je hemd in je broek.”

Daarbij stampte ze met haar rechtervoet op de grond. De handen van Jackie gingen naar zijn overhemd, maar daar bleef het ook bij.

Meneer Nassweiler begon met de zegenspreuk.

“Heb je een vriendin,” fluisterde mevrouw Blum die blijkbaar haar eigen idee over zegenspreuken had.

Ik knikte.

“Joods?”

“Zo Arisch als de pest,” fluisterde ik in haar oor, “haar vader werd de slachter van Poznan genoemd. Nu doet ze aan geestelijke en lichamelijke wiedergutmachung. Ja, ja, het leven is wreed.”

De glimlach op het gezicht van mevrouw Blum bestierf en ik plukte nog een radijsje van de sederschotel.