Het verraad der intellectuelen

De vraag die overal ter wereld het denkend deel der natie bezighoudt is, Wat wil H.J.A. Hofland? Dat hij iets van ons wil is duidelijk.

Maar wat? Dat is de vraag. Ik ben daar nog niet uit. Ik heb met de nodige zorgvuldigheid zijn laatste essaybundel De elite verongelukt gelezen en dat is een boek dat gaat over het intellectuele tekort van iedereen die dat boek leest. Het schept bij de lezer een onbestemde onrust en een richtingloos schuldgevoel. Ik geloof niet dat wij ons bezig hoeven te houden met de vraag wie tot de beoogde elite behoort, want het stellen van die vraag leidt als van zelf tot inclusie. De elite verongelukt gaat dus gewoon over ons. Het boek is een retorisch wonder maar verplicht ons daardoor ook tot een zekere beduchtheid voor het welbespraakte predikantenkind in de Nederlandse essayist. Hofland geeft een aantal treffende omschrijvingen van de Westerse elite, haar opdracht in deze wereld en vooral de mate waarin zij haar opdracht verzaakt. De intellectuelen danken hun bestaan aan het kosmopolitisch karakter van de Westerse beschaving, maar verloochenen die gedachte en worden in toenemende mate geleid door een benepen eigenbelang. Ideaaltypisch beheert de elite “het gebied waar de waarheid, de tijdgeest, de betekenis van het verleden, de waarde en onwaarde van het heden, de bewustheid van de toekomst, tot uitdrukking komen - dit alles zonder compromis met het klein belang...” Maar de elite of de literaire klasse, zoals Hofland haar ook wel noemt, bekommert zich allang niet meer om dat beheer. “Haar verraad bestaat in deze tijd hierin dat zij zich in beslag heeft laten nemen door een curieuze Schöngeisterei.

'' Terwijl de wereld van de ene bloedige crisis in de andere vervalt, bekommert de intellectueel zich om zijn plaats in de top tien van de best verkochte boeken, of iets dergelijks. Hofland legt ook een direct verband tussen de burgeroorlog in Joegoslavië en het verraad der intellectuelen. Die burgeroorlog schept kennelijk geen verplichtingen.

Je kunt het helemaal eens zijn met Hofland maar toch enigszins onbevredigd afscheid nemen van zijn betoog, omdat het geen antwoord bevat op de simpele vraag: wat dan te doen? Er ontbreekt iets aan de aanklacht van Hofland. Wat er aan ontbreekt is geloof ik dit. Een intellectueel kan nog zozeer de waarheid dienen of de tijdgeest karakteriseren of zich identificeren met de slachtoffers van welke ramp dan ook, maar hij kan daarmee niet volstaan. Hij zal vroeg of laat moeten pleiten voor de uitoefening van macht. En het is mij niet duidelijk of Hofland voor zo'n machtspolitiek en wilsoplegging pleit. De vraag is natuurlijk niet wat wij van Joegoslavië vinden of hoe het allemaal zover heeft kunnen komen. De vraag is simpelweg of wij bereid zijn daadwerkelijk in te grijpen. Zonder een antwoord op die vraag, heeft geen enkele intellectuele bemoeienis enige zin. Het herhaald roepen dat het Westen faalt, heeft alleen betekenis als men pleit voor daadwerkelijke militaire wilsoplegging. En dat niet alleen in Joegoslavië maar overal ter wereld. Dat brengt als vanzelf de vraag met zich mee of wij daartoe bij machte zijn, als wij er al toe bereid zijn. Wat mij in de intellectuele of literaire klasse tegenstaat is niet zozeer dat zij zich onvoldoende zorgen maakt om de crisis waarin de wereld zich bevindt, maar dat zij geen macht wenst. De bereidheid tot machtsuitoefening schept los van een zekere onvermijdelijke grootheidswaan, die ik maar even voor lief neem, geheel eigen verplichtingen. De vraag is dus, wil Hofland dat wij macht uitoefenen en hoever wil hij daarin gaan. Het is natuurlijk een wonder dat wij in deze volstrekt chaotische tijd niet ten prooi vallen aan een collectieve paniek. Waarschijnlijk worden wij daartegen beschermd door een zekere mate van afleidende Schöngeisterei. Een universele neurose van Weltangst heeft nog niet toegeslagen. Maar die zou alleen te bestrijden zijn door de macht naar je toe te trekken. Als men echt wil interveniëren zal men zich daartoe passend moeten bewapenen. Wat aan de elite ontbreekt is natuurlijk niet een honorabele mate van betrokkenheid, maar de politieke bereidheid om te pleiten voor wilsoplegging als zij zich inderdaad beschouwt als hoedster van het kosmopolitisme.