Geld Nederland voor mijnopruiming Angola

DEN HAAG, 21 APRIL. Een Noorse actie voor het opruimen van landmijnen in Angola kan volledig worden uitgevoerd nu het Nederlandse ministerie voor ontwikkelingssamenwerking ruim twee miljoen gulden bijdraagt aan de financiering. Dit is gisteren op het ministerie bekendgemaakt tijdens een bijeenkomst over het probleem van de landmijnen bij de wederopbouw van Angola.

De aanwezigheid op grote schaal van landmijnen in landen als Angola, Cambodja, Mozambique en Afghanistan is een groot obstakel voor de wederopbouw. In Angola stappen dagelijks twintig mensen op een landmijn, tachtig procent van de slachtoffers zijn vrouwen en kinderen. De landmijnen maken vervoer tussen steden en landbouw in veel gebieden onmogelijk, waardoor de bevolking afhankelijk wordt van buitenlandse hulp.

Het Noorse programma is opgezet door de organisatie Norwegian People's Aid (NPA), een particuliere organisatie die op deze wijze de wederopbouw in door burgeroorlog geteisterde landen wil ondersteunen. De totale kosten van de operatie bedragen ruim acht miljoen gulden, waarmee NPA in Angola plaatselijke ex-militairen gaat opleiden in het onschadelijk maken van mijnen. De operatie is inmiddels al op gang gekomen. Noorwegen draagt zes miljoen gulden bij.

De doeltreffendheid van een particuliere organisatie als de NPA, die buiten officiële kanalen om op eigen initiatief aan het werk gaat, werd op de conferentie op pijnlijke wijze duidelijk. Ook de VN willen zich bezighouden met het opruimen van landmijnen in Angola in het kader van de peace-keeping operation UNAVEM-3, die in mei begint. Maar de VN kunnen slechts via officiële kanalen in een land activiteiten ontplooien, en zijn dus afhankelijk van de medewerking van de Angolese overheid. Deze overheid heeft nog steeds niet een stuk land beschikbaar gesteld aan de VN voor het opzetten van een opleidingscentrum. Op de conferentie stelde de Angolese ambassadeur Jose Alves Primo echter dat het opruimen van mijnen voor zijn regering de hoogste prioriteit heeft. Maar op de vraag van Tore Skedsmo, vertegenwoordiger van het Department of Humanitarian Affairs van de Verenigde Naties (UNDHA) “Waarom de regering dan nog geen stuk land beschikbaar heeft gesteld”, antwoordde Primo slechts met stilzwijgen.