Een dronken makende lawine; De wanhoop in de liederen van Carl Michael Bellman

De liederen van de 18de-eeuwse Zweed Carl Michael Bellman zijn in Zweden buitengewoon geliefd, maar in de rest van de beschaafde wereld helaas onbekend. “Vrolijk en toch verdrietig - het klinkt als een cliché, maar het verwijst in dit geval naar iets buitengewoon oorspronkelijks.”

Dit is de uitgebreide versie van een voordracht die Rudy Kousbroek gisteren hield voor de stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.

Een wonderlijke geschiedenis, de liederen van Bellman.

Zowat een jaar geleden las ik in het onvergetelijke (en in al meer dan 35 jaar niet meer herdrukte) Dagboek van de veertienjarige Selma Lagerlöf (uitg. Bert Bakker, 1958) hoe zij op Woensdag 12 Februari 1873 ronddwaalde op het St Klarakerkhof in Stockholm: 'Dan ga ik verder, naar de andere kant van het kerkhof, en sta al gauw voor een grafsteen... waarop de naam staat van Carl Michael Bellman.'

Een noot van de vertaler legt uit wie dat was: iemand die gedichten schreef en zelf op muziek zette; leefde van 1740-1795; zijn liederen zijn in Zweden buitengewoon geliefd en worden nog steeds gezongen. De veertienjarige denkt aan hoe zij die liederen thuis in Marbacka plachten te zingen, met haar vader aan de piano; ze vergelijkt ze met de gedichten van een andere dichter en concludeert dat de gedichten van Bellman ook vrolijk zijn, 'maar anders'; en dan komt de merkwaardige uitspraak: 'Als ik aan de liedjes van Bellman denk dan word ik zo verdrietig en zo bang en krijg ik tranen in mijn ogen, zonder dat ik weet waarom.'

Vraag aan iemand die die liederen kent (een Zweed dus) wat hij of zij er van vindt en de kans is groot dat je een soortgelijk antwoord krijgt. En ik vrees dat ik zelf, sedert ik de laatste tijd naar een aantal van die liederen bijna dagelijks heb geluisterd, ook iets in die geest zou antwoorden. Vrolijk en toch verdrietig - het klinkt als een cliché, maar het verwijst in dit geval naar iets buitengewoon oorspronkelijks, iets dat je nergens anders tegenkomt en dat eigenlijk uniek is in de Europese literatuur.

Ook nadat je er voor gevallen bent blijft dat 'ik weet niet waarom' je bezighouden: is het de muziek? is het de tekst? De muziek heeft zeer zeker iets eigens, maar is toch gebaseerd op melodieën zoals er in de achttiende eeuw zoveel waren en waar je bij veel componisten de echo's van hoort. Dan is het dus de tekst? Ja, maar toch niet helemaal los van de melodie. Woorden en muziek horen bij elkaar op een manier die in de klassieke muziek niet gebruikelijk is, ze roepen elkaar op zoals bij Blues, op de manier van I hate to see that evening sun go down - 'maar anders'.

Dubbele bodems

Misschien heeft het te maken met de dubbele bodems die je in deze gedichten vermoedt, en dit niet alleen als gevolg van de bedrieglijke nabijheid van het Zweeds voor een Hollands oor. Ik had het geluk van een Zweedse vriendin een oude grammofoonplaat te leen te krijgen, Bellman in Britain, met de gedichten in Engelse vertaling, schitterend gezongen door een Engelse tenor genaamd Martin Best (EMI Svenska AB 026-35515, 1978). Overigens dacht ik eerst dat hij in het Zweeds zong, en dat komt weer door de frasering van het Zweeds, waaraan een vertaling die gezongen moet kunnen worden gedwongen is zich te houden. De vertaler, Paul Britten Austin, heeft het over de 'insuperable difficulties' van de prosodie, die er toe bijdragen dat de finesses van deze gedichten gedoemd zijn 'to remain for always locked up in Swedish'.

Deze verzuchting citeer ik uit Paul Britten Austin: The Life and Songs of Carl Michael Bellman, Genius of the Swedish Rococo. (Allhem Publishers, Malmö 1967). 'Bellman,' schrijft Austin, 'is a world in himself. Anyone who takes the trouble of learning Swedish solely to enter it is not wasting his time.' Ik vermoed dat dat echt waar is. Een Nederlander die Duits en Engels kent komt met geduld en een woordenboek een heel eind, maar Bellman is vaak duister, blijkbaar ook voor de Zweden zelf. Aan de andere kant is die obscuriteit een onderdeel van de aantrekkingskracht van deze gedichten: als je ze gezongen hoort, zodat je de tijd niet hebt om na te denken, komt het als een dronken makende lawine over je heen - vrolijke drinkliederen, lustige odes aan plezier en zinnelijkheid, lieflijke beelden van een arcadische achttiende-eeuwse natuur, met een voortdurende ondertoon van zwaarmoedigheid of zelfs wanhoop.

Er was in de sfeer van de gedichten iets dat ik herkende en eerst niet thuis kon brengen; wat mij het tenslotte hielp het te achterhalen was de muziek: het geluid van een waldhoorn. Dit is waaraan het mij herinnerde:

Hoor ik op Sempre een waldhoorn

Of ook wel een Turksche trom

Dan moet ik zoo bitter weenen;

En - ik weet zelf niet waarom.

Kortom, de gedichten van Piet Paaltjens. De overeenkomst van toon is soms zo opvallend dat je denkt dat het geen toeval kan zijn, dat zij tijdgenoten moeten zijn geweest; maar Haverschmidt (1835-1894) leefde bijna precies een eeuw later dan Bellman. Van beïnvloeding kan moeilijk sprake zijn. Toch is er die zelfde 'slechts half door levenslust getemperde weemoed', die permanente verliefdheid, de melancholie, de grappen over de vergankelijkheid en de dood.

Bellmans gedichten werden pas tegen het eind van zijn leven gepubliceerd, met de muziek, in twee delen: Fredmans epistler, 82 'brieven' met muziek, en Fredmans Sanger, 65 liederen (1790). Alleen al de introducties tot die gedichten zijn in staat mij in een speciale stemming te brengen: 'Een onverwacht afscheid, aangekondigd bij Ulla Winblads ontbijt tussen het groen, op een zomerochtend' - 'Bij het vallen van de nacht, wensend dat hij koning was' (hij, dat is dan steeds 'Fredman', een aan de drank geraakte klokkenmaker, de denkbeeldige auteur) - 'Elegie op het gevecht in de kroeg van Gröna Lund' ('Speel, Vader Berg, in tranen') - 'Epistel, achtergelaten bij Cajsa-Lisa's bed, laat op een avond' - 'Waarin wordt beschreven hoe Ulla Winblad, na een nacht buitenshuis, terugkomt met een boot uit Hessingen, in het Malärenmeer, op een zomermorgen, 1769.'

Zulke inleidingen maken mij al meteen weerloos. Die zomermorgen in 1769, waar Bellman in verschillende gedichten op terugkomt, wat voor paradijselijks moet zich toen hebben afgespeeld? Een evocatie als: 'Onze Ulla op een morgen, slapend, met een hand onder haar oor.' Of de aanhef: 'Nooit heeft een Iris op deze vale plek' (dit bleke veld - Aldrig en Iris pa dessa bleka fält), bij het onvergetelijke Epistel 54: 'Bij het graf van Korporaal Boman op het St Cathrinakerkhof.' Dat is een soort grafrede, gericht aan de bekenden van korporaal Boman, waarin tussen de regels van een hartverscheurend afscheid, zijn weduwe wordt aangeraden maar gauw een nieuwe korporaal in haar bed toe te laten.

Schaamteloosheid

Bij mij roept dat ook nog een visioen op van militaire begraafplaatsen in Nederlands-Indië, zoals er zoveel waren, Kapitein Jas onder de tjempaka's, met in de verte de witte branding, de blauwe zee - maar afgezien daarvan is wat mij zo aanspreekt de vrolijke schaamteloosheid, de alle Gristelijke voorschriften aan zijn laars lappende schuld- en zedeloosheid die uit de Bellman-gedichten spreekt: 'here Bacchus is bidden/ here love's not forbidden,' in de vertaling van Austin. Want het achttiende-eeuwse Zweden had ook zijn zedemeesters, waarmee Bellman het meermalen aan de stok heeft gehad (tegen een van deze fatsoensrakkers: 'God weet waar hij de kracht vandaan haalt om zo met de duivel te worstelen. Neem toch even rust, Satan loopt heus niet weg'). Een van de liederen waar het nodige over te doen is geweest is Bellmans jammerklacht dat de vrouw van Potifar niet hem in plaats van Jozef in haar bed nodigde: hij zou geen nee hebben gezegd! En Bellmans odes aan de drank en aan notoire Stockholmse dronkelappen, zijn vele schulden, zijn gulheid met geleend geld zouden ook bij Maarten 't Hart geen genade hebben gevonden; maar misschien is Maarten hier wat milder te stemmen omdat Bellman iets had waar het Multatuli aan ontbrak: musicaliteit.

Volgens getuigenissen uit zijn tijd kon Bellman fabelachtig improviseren (de opgetekende liederen zouden daar maar een bleke afschaduwing van zijn), en had hij het merkwaardige vermogen met zijn mond allerlei muziekinstrumenten na te kunnen doen. A. Bolckmans, de auteur van Scandinavische letterkunde (Aula 1984), zegt daarover: 'Bellman was vooral een geniaal muzikaal uitvoerder, die over een enorm imitatietalent voor instrumenten en stemmen beschikte, hetgeen essentieel was voor wat in die tijd 'parodie' heette.' Bolckmans wijst er ook op dat dit een merkwaardig interpretatieprobleem oplevert: voor ons is het parodistische verdwenen, omdat wij (net als bij Alice in Wonderland) de originelen niet meer kennen, en 'wat voor de tijdgenoot levende, populaire muziek was, zelfs gebruikskunst, heeft voor ons artistieke allure gekregen.' Hadden wij maar een dergelijke populaire muziek! Ware het dat een poëzie van die allure bij ons gebruikskunst was! Wat de vergelijking met Piet Paaltjens verbergt is dat Bellman in alle opzichten van veel groter formaat is. Er bestaat helaas van de Bellmanliederen, zoals ook Bolckmans bevestigt, geen Nederlandse vertaling. En toch was het Nederlands de eerste vreemde taal waarin gedichten van Bellman vertaald zijn, maar die vertaling is verloren gegaan; in het eerdergenoemde Life and Songs beschrijft Austin hoe Bellman om de hoek woonde bij Lodewijk de Marteville, de Hollandse gezant, 'een serieus en gecultiveerd persoon met een schitterende bibliotheek van 2350 boeken. Het was ook De Marteville die de eerste schijnt te zijn geweest die de fascinerende maar bijna onmogelijke taak heeft ondernomen om Bellmans gedichten in een andere taal over te brengen. Helaas is deze Nederlandse vertaling, waar Bellman later nog naar zou verwijzen als getuigend van zijn literaire waarde, verloren gegaan. De gezant stierf plotseling op de leeftijd van 58 jaar; de De Marteville's waren geruïneerd en moesten naar Nederland terug. De zoon ging in het leger in een obscure garnizoensstad, waar we ons kunnen voorstellen hoe hij soms voor zijn mede-officieren de liederen zong die hij in het verre Noorden geleerd had.'

Later, in de jaren dertig van onze eeuw, heeft de Amerikaanse historicus Hendrik Willem van Loon (1882-1944) nog een aantal gedichten in het Engels vertaald, onder de titel The Last of the Troubadours (onvindbaar). Er bestaat ook een Franse vertaling, Les Epîtres de Bellman - maar wel, net als de Engelse van Austin (17 Songs by C.M.

Niet bekend

Ik heb, geloof ik, wel een antwoord. De Bellmanliederen zijn wat mij betreft de enige verteerbare manier om te schrijven over de dood, namelijk alsof het een enorme grap was, iets waartegenover men, ook al is het een van te voren verloren strijd, zich groot behoort te houden. En waartegen geen ander remedie bestaat dan, hoe verknoopt en vertwijfeld ook, liefhebben: de natuur, de vergetelheid, de liefde zelf.

PS: Wat Selma Lagerlof voor het graf van Bellman aanzag was in feite een gedenksteen, in 1851 opgericht door de Zweedse Academie. De preciese locatie van het werkelijke graf op het St Klarakerhof is onbekend.