Ecce dodo; De tragiek van een klomplijvige loopvogel

Het wereldwijde rariteitenkabinet van wat ons nog rest van de dodo biedt een droevige aanblik. Een groezelige schedel hier, een vergeelde boven- en ondersnavel daar, een al of niet foutief gemonteerd skelet, bruin als chocolade. Is dan bijna alles vermalen door de vernietigingsdrift en de vraatzucht van onze roemrijke voorouders?

Dit is de tekst van een lezing die Jan Wolkers op 13 april uitsprak bij de opening van de tentoonstelling 'Het lot van de dodo' in het Zoölogisch Museum, Plantage Kerklaan 40, Amsterdam. T/m 1 okt. 1996. Di-zo 9-17u.

Het is niet verwonderlijk dat in het begin van de zeventiende eeuw het meest bijbelvaste deel van de christelijke wereld, de Verenigde Nederlanden, het leeuwedeel voor zich opeiste van de vleespotten van Egypte die zich potsierlijk waggelend over het luilekkereiland Mauritius voortbewogen. Hebzuchtig voeren zij immers het zeegat uit onder het zingen van dat je daar rijke buit wachtte en zij kenden als geen ander volk, vooral na de vertaling in 1618 van de Bijbel door last van de Hoog-Mogende Heren Staten Generaal, Genesis 1 vers 28 waarin geschreven staat dat die rauwe Zeeuwen en brute Hollanders de heerschappij hadden over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt. Ze konden dus naar hartelust, met het Dieu le veut uit vroeger eeuwen nog in het bewustzijn geprent, met hellebaarden en roeispanen, met door scheurbuik misvormde smoelen en bescheten lijven de zo goed als weerloze plompe vogelen te lijf gaan.

Bijna iedere sterveling heeft de dodo leren kennen door het lezen van Alice's Adventures in Wonderland. De afbeelding die Sir John Tenniel maakte van de dodo die Alice een vingerhoed aanbiedt staat in het geheugen van ieder kind gegraveerd. Het wonderlijk gedierte verheft zich daarop met een air alsof het beslist geen uitstervensbegeleiding van node heeft en, zoals Reyer Cornelisz zo treffend in zijn scheepsjournaal schrijft recht op haer voeten ofte het een man persoon was.

John Tenniel ging verder dan Lewis Carroll, zoals beelden meestal verder gaan dan woorden. Blijft in het verhaal de pedofiele sfeer verborgen onder een web van lichtelijk sensuele dagdromen weerspiegeld in het leliewiegende water van een golden afternoon, de struise John Tenniel zet de dodo neer ofte het een man persoon was, tegenover het perverse dwergvrouwtje dat verborgen en verboden verlangens opwekt. En met een vooruitziende blik die bijna een eeuw overspant. Want herkennen we niet in dat klomplijvige gedrocht met zijn hondsnieuwsgierige knikkerogen dat het kuis-perverse nimfje een vingerhoed aanbiedt - het symbool van de manestraalverlichte zelfbevrediging -de schrijver van Lolita. En wordt de wandelstok die hij zo koket draagt met een vermomd mensenhandje onder een waaiertje vleugel vandaan, niet een vlindernet waarin hij die naïef-geraffineerde verleidelijkheid gaat verstrikken. Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul.

Misbaksel

Bijna ieder kind heeft de dodo leren kennen door die illustratie van John Tenniel, schreef ik. Inderdaad, bijna ieder kind. Want de jeugd van mijn generatie is met dat uitgestorven misbaksel in aanraking gekomen door de oubollige, van kneuterigheid stijfstaande pen van Johan Fabricius. De Scheepsjongens van Bontekoe. Een titel met een sterke pedofiele bijklank zonder dat je nu direct aan die andere walgvogel Sigmund Freud hoeft te denken, want wij zeiden als kind, terwijl we geen weet hadden van het belangwekkendste essay van de meester van het onderbewuste, De Scheepsjongens van Kont Taboe. Alsof we al gehoord hadden van de verhalen over vroede zeekapiteins en bestevaers die een nacht doorzakten met hun scheepsjongens, die na hun roes schaapachtig tot de conclusie kwamen dat je van champagne pijn in je reet kreeg. Wel behoorlijk grover dan en tegengesteld aan het credo van Lewis Carroll, I like children, except boys. Want meisjes loos die wilden gaan varen had je toen nog niet.

'Hela! Wat gaan daar voor beesten!' riep Hajo uit, terwijl hij op een viertal lompe, grauwgrijze vogels duidde, die zich log in de schaduw der bomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich onmogelijk van de grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een.

Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.'

Mocht deze beschrijving de indruk wekken dat het uitgehongerde scheepsvolk zich even later zat te verzadigen aan sappige dodoburgers en scheepsbeschuit met walghvogelshoarma, dan komt deze culinaire folklore, waarvan men zich kan afvragen of aangebrand toen al voetjes had, op conto van de fantasie van de schrijver. Want in de scheepsjournaals lezen we, Wy hebben dese voghel gekoockt, maer was so tay dat wyse niet gaer en conden koken, maer hebbense soo half gaer gegeten. En, Deze voghels noemden wij walchvoghels, eensdeels om dat, alhoewel sy langh soden, seer tay om eeten waren. Dat lijkt me heel wat dichter bij de werkelijkheid en strookt met het recept voor het toebereiden van een zeemeeuw, dat in de hongerwinter de ronde deed om nog een vage glimlach op de uitgeteerde gezichten te toveren. Men zette de meeuw op in ruim water zodat men er een baksteen naast kan stoppen. Als de baksteen gaar is gooie men de meeuw weg.

Bittere chocolade

Het wereldwijde rariteitenkabinet van wat ons nog rest van de dodo biedt een droevige aanblik. Een groezelige schedel en borstbeen hier, een vergeelde boven- en ondersnavel daar, wat los botmateriaal, een al of niet foutief gemonteerd skelet, bruin als chocolade. Bittere chocolade. Alles bij elkaar niet veel meer dan een paar city-bags met dorrig gebeente. We hebben zo onbedaarlijk huisgehouden dat je de verzamelde brokstukken gemakkelijk achter op de bagagedrager van een fiets af zou kunnen voeren. Is dan bijna alles vermalen door de vernietigingsdrift en de vraatzucht van onze roemrijke voorouders? Niet alles. Er moet nog veel te achterhalen zijn, mits men op de juiste plaatsen zoekt. Als we de scheepsjournaals lezen, die vaak met verve verslag doen van massaslachtingen van dodo's ('You can always count on a murderer for a fancy prose style', schrijft Nabokov in Lolita.), zijn er ontelbare van die logge loopvogels, die men, tegen de naamgeving in door Adam, Raphus cucullatus, kermisganzen beliefde te noemen, aan boord gesleept en in tonnen en kuipen in 't sout gesmeten als mondvoorraad voor de verdere reis of de terugweg. Op de bodem der diepzeeën moet de route van de Oost-Indiëvaarders uitgestippeld liggen in afgekloven dodobotten. Een gordel van vernieling die zich tussen diepzeevissen, baardwormen en zeesterren heenslingert van de evenaar tot aan de Noordzee. Je zou genieën als Jules Verne en Jacques Cousteau tot je beschikking moeten hebben om dat boven water te krijgen. Maar aan die stugge bouten, waaraan de gebitsgesteldheid van onze zeevarende voorouders in gulzige happen nog moet zijn af te lezen en waaruit men menig gaaf skelet zal kunnen samenstellen, is waarschijnlijk heel wat gemakkelijker te komen. Multatuli heeft gezegd, dat velen iets niet zien omdat het te dichtbij is. Ik meen ze soms te ruiken, die door de pekel en de zoutziedende zee geconserveerde vogelen, hoe diep ze ook in de loop der eeuwen in de zeeklei verzonken mogen zijn. Hier, op de rede van Texel. Laten we onze fantasie eens gebruiken, die ten aanzien van de dodo zo vaak misbruikt is. Een driemaster komt aan door het Marsdiep. Het onwelriekende scheepsvolk in gehavende kleding die bij honderd graden in vleermuizendrek gewassen schijnt, dromt woest tegen de reling. Daar ligt het eiland waar ze vers water en verse groente gaan halen. Door de kijker worden al huppelverse konijnen waargenomen en het geblaat van lammeren is hoorbaar over de lieflijke golven van de neusvochtgroene Waddenzee. De bemanning klimt bijna als katten in 't want, bij de gedachte aan lamszadel bereid met zelf meegebrachte specerijen. Maar ja, die tonnen en kuipen met gepekelde dodo's die over zijn gebleven. Het zou toch al niet zo verstandig zijn als moeder de vrouw die te zien zou krijgen na het afmeren in Amsterdam, die bijna obscene met bleek kippevel overtrokken heupgrote brokken waar ze zich aan vergrepen hebben op het verre paradijselijke eiland. Overboord ermee. En zo ligt op de bodem van de Waddenzee, onder door garnalen en krabben bewoonde platen zeeklei een vloer van uitgestorvenheid.

Dikke dame

De verschijning van de dodo in de beeldende kunst staat allerwaarschijnlijkst tot de werkelijke dodo zoals hij daar in volle vrijheid op Mauritius rondliep, als een kistkalf tot een jong koetje dat in de weide om zijn moeder dartelt, een ook bijna uitgestorven beeld trouwens. Het is niet denkbeeldig dat de weinige dodo's die levend Europa bereikt hebben in kisten op het dek werden vervoerd en vetgemest en van zwaarte en ruimtegebrek door de knieën gezakt hun bestemming bereikten. Van dodo tot kermisgans. Zo kregen schilders en tekenaars een misvormd beeld van het toch al niet bijzonder fraaie schepsel dat uiteindelijk terechtkwam in de verzameling van vorsten en soms verzeilde in de klauwen van een kermisexploitant die het naast de dikke dame en het kalf met de twee koppen uitbaatte. Ecce dodo.

Wie de weerzinwekkende braakbal op pootjes met monstersnebbe aanschouwt die Roelandt Savery van het gedierte maakte, Edwards Dodo genaamd, moet wel tot de veronderstelling komen dat de schilder zich ter plekke in zijn atelier achter de ezel heeft laten voorlichten en natuurlijk misleiden door een stel opgefokte zeelui met het taaie vlees van de vogel nog tussen de kiezen en met schoeisel nog nat van het buiswater aan de grove voeten.

Het lijkt wel of ze de hand van de schilder vastgehouden hebben om hem te drijven naar hun onsmakelijke fantasmagorieën. Nog boller daar, nog veel meer vet vlees op die achtersteven zodat je er houvast aan hebt als je ze te grazen neemt. Ze smaken zoals ze kraken. Uitroeien die handel. De walm uit hun scheurbuikmuilen beslaat tegen de smeuïge olieverf en is in de penseelvoering zichtbaar. Een jolig advies wordt bij een kunstenaar zelden aan dovemansoren gegeven. Zijn neef Johannes Savery doet er nog een schepje bovenop. Je zou bijna vermoeden dat hij hetzelfde scheepsvolk over de vloer van zijn atelier heeft gehad, maar dan drie kroegen later. Het kikkertje dat onder het godslasterlijke monstrum in het gras zit en dat met bolle schrikoogjes opkijkt naar die weerzin in dons, schijnt er verstijfd van schrik voorgoed van in de winterslaap te vluchten. De schepper die in staat geacht moet worden dat te creëren moet wel een satanische bullebak zijn die uit de krochten van de hel door een asceet met anorexia religiosa vanuit Genève op de mensheid is losgelaten. En je aanvankelijke veronderstelling bij al die fantasievogels, dat je met een knipoog naar Angus Wilson zou kunnen constateren, They're dodos, really, but such darling dodos, verdwijnt als sneeuw voor de zon.

Zwartkapsaterhoen

Wanhopig kun je je afvragen of er dan geen enkele afbeelding is die de dodo als verschijning hier op aarde recht doet. Gelukkig wel. Er is een Perzisch-Indiase miniatuur waarop hij te aanschouwen is tussen Indische ganzen, een Molukkenlori, een zwartkapsaterhoen en een paar Indische zandhoenders. Tussen die natuurgetrouw afgebeelde vogels blijft de dodo, die ook naar waarheid geconterfeit zal zijn, toch een wonderlijke verschijning. Misschien zijn wij in het westen bevooroordeeld door al die ziekelijke afbeeldingen, maar je hebt toch sterk de neiging om te denken dat God op de vijfde dag der schepping toen hij het gevogelte uit zijn mouw schudde niet helemaal bij de les geweest is. Misschien overviel hem de vermoeienis van het creëren van al die zwaluwen, sperwers, puttertjes en sprinkhaanrietzangers, van al dat vogelvlugge volkje. Het is ook niet denkbeeldig dat de voorraad spitse vleugels op was, zodat Hij gedacht moet hebben, dan moeten ze het hier maar mee doen, met die paar kwabjes veren. Per slot van rekening is het op Mauritius altijd mooi weer, zodat lopen nooit een bezwaar kan zijn. En toen hij op de zesde dag de mens schiep kon Hij ook niet weten dat daar uiteindelijk ook de vliegende Hollander uit voort zou komen.

Arme dodo! Nooit heeft een koninklijk personage geroepen 'Een koninkrijk voor een dodo!' Nooit hebben vrouwen zijn schamele vederdracht als versiering op hun hoofddeksels kunnen gebruiken noch met een waaier van dodo-dons hun schaamte bedekt. Je zou er dwars doorheen gekeken hebben, zo spaarzaam was het dier zelf bekleed. Hij leefde in een paradijs maar was allesbehalve een paradijsvogel. Hij was bijkans onverteerbaar en is ons zwaar op de maag blijven liggen. En ik had bijna geschreven dat er nooit een afbeelding van hem gemaakt is waaruit een bezield schepsel naar voren komt. Maar dat is goddank niet zo. In het scheepsjournaal van de Gelderland staat een ontroerend mooie tekening van een dode dodo die vervaardigd is in september 1601 op Mauritius. Het is een tekening in potlood, de kop is uitgewerkt in inkt. Men vermoedt dat de tekening is gemaakt door Joris Joostensz. Laerle. Voor mij mag dat vermoeden in zekerheid verkeren. Vooral omdat het een man schijnt te zijn geweest die zich nogal eens aan drankmisbruik schuldig maakte. Drank de onberekenbare. Ik verbeeld me dat het een enigszins Slauerhoffachtige man geweest moet zijn, gevoelig en misprijzend, Gedoemd om droevig te leven, Wordt ieder die te veel liefheeft, die bij het avondeten als hem zo'n vette onverteerbare kluif werd toegeschoven, afwerend zijn hand ophield, terwijl hij smalend dacht, geef mijn portie maar aan de duivel. En die tussen dat rauwe volk in hun fecaliën doorsijpelde baaien plunje, meer beesten dan mensen, in staat was om ons een spiegel voor te houden van ons gruwelijk verleden. Die de dodo zo tekende alsof hij met meewarigheid in een gesloten toekomst staart. Onze toekomst.