De wil om te scheppen is de wil om te leven; Der Kaiser von Atlantis, opera uit concentratiekamp Theresienstadt

Theresienstadt was niet het enige concentratiekamp waar gemusiceerd werd, maar de mate waarin en het niveau waarop dat gebeurde, was uitzonderlijk. Dat was onder meer te danken aan Viktor Ullmann, die de Studio für neue Musik leidde. Ullmann schreef in het kamp ook de opera Der Kaiser von Atlantis, die op 4 en 5 mei in Amsterdam zal worden opgevoerd. “Hier is de ware leerschool voor een kunstenaar”, schreef Ullmann in zijn dagboek.

Joza Karas: Muziek in Theresienstadt, 1941-1945. Uitg. Pantha Rhei. 278 blz. Prijs ƒ32,50.

Op het label Channel Classics verscheen de opera Brundibár van Hans Krása (CCS 5193) en drie cd's met kamermuziek uit Theresienstadt.

Der Kaiser von Atlantis van Viktor Ullmann verscheen bij Decca in de serie Entartete Musik (440 854-2). De opera wordt op 4 en 5 mei uitgevoerd in de Amsterdamse Stadsschouwburg en 6/5 Purmerend, 13/5 Eindhoven, 14/5 Rotterdam, 17/5 Groningen, 18/5 Leiden door het Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard.

Bijna was Der Kaiser von Atlantis in 1944 uitgevoerd in Theresienstadt. Deze opera was volledig ontstaan in het vestingstadje dat tussen 1941 en 1945 dienst deed als Durchgangslager van de nazi's. Het libretto werd geschreven door dichter/schilder Peter Kien. Viktor Ullmann componeerde de muziek, met een rauwheid die herinnerde aan Kurt Weill en een vrije behandeling van de toonsoorten die wel wat weg had van die van zijn leraar Arnold Schönberg. De Berlijnse regisseur Karl Meinhard was verantwoordelijk voor de enscenering. En er werd door het 13-koppige orkestje (compleet met saxofoon en klavecimbel) en de zangers onder leiding van dirigent Rafael Schächter gerepeteerd in een oude gymzaal.

Maar verder dan een generale repetitie is het nooit gekomen. De nazi's kwamen op de laatste dagen voor de première een kijkje nemen en ze vertrouwden het niet. Het verhaal over de waanzinnige keizer die een oorlog 'van iedereen tegen iedereen' uitriep en daarmee de Dood tegen zich in het harnas joeg (hij gaat in staking, waardoor een chaos ontstaat die pas eindigt als de keizer zich opoffert) kon absoluut niet door de beugel, en een paar lelijke trekjes van Der Kaiser herinnerden bovendien wat al te opzichtig aan de Führer.

En dan hoorden de SS-ers waarschijnlijk nog niet eens dat Ullmann midden in de opera Deutschland über alles citeerde, in een volledig scheefgetrokken variant door het volkslied in mineur te laten klinken. Het opvallende citaat uit een werk van de Tsjechische componist Josef Suk, een helder trompetsignaal aan het begin, zal de Duitsers zeker ontgaan zijn. Het fragment kwam uit de Asrael-symfonie die Suk componeerde na het overlijden van Dvorák, en die in Tsjechoslowakije vaak werd uitgevoerd bij de dood van bekende staatslieden. Iedereen in het publiek zou de verwijzing naar de Doodsengel hebben herkend.

Theresienstadt is een vriendelijk, wat saai ogend vestingstadje in het heuvelachtige Noord-Bohemen in Tsjechië, niet ver van de plek waar de Eger in de Elbe stroomt. Het plaatsje dankt zijn bestaan aan de Habsburgse keizer Josef II die in 1780 in de grensstreek een extra garnizoen stationeerde, uit angst voor de Pruisische expansie vanuit het noorden. Er zijn in Terezín, zoals de Tsjechische naam luidt, nog steeds militairen gelegerd, maar verder is het een dorp zoals zoveel andere, met een klein station, met boeren die het land bewerken, vrouwen die met boodschappentassen onderweg zijn en kinderen die schommelen achter het huis.

De ongeveer 6000 inwoners van Theresienstadt werden in 1941 door de Duitse bezetter dringend geadviseerd om te zien naar andere woonruimte. Het stadje zou worden ingericht voor joden, vooral uit Tsjechoslowakije, maar ook wel uit andere delen van Europa. Op 24 november 1941 arriveerde het Aufbaukommando, bestaande uit 342 joodse mannen die de zaak moesten klaarmaken voor de rest. Nog geen week later kwam het eerste transport uit Praag aan en weer een paar dagen later nog een uit Brno. Binnen een jaar woonden er in Theresienstadt bijna zestigduizend mensen - tien keer meer dan het dorp aankon (op 18 september 1942 zaten er 58.491 joden gevangen, vanaf die dag werden het er minder, omdat er meer mensen naar het oosten vertrokken dan er nieuwe bewoners aankwamen).

Ondanks de benarde omstandigheden waarin men in Theresienstadt verkeerde, bestond er toch nog zoiets als een dagelijks leven. Sterker nog, velen waren opgelucht in Theresienstadt te zitten. Niet omdat ze er het Paradiesghetto aantroffen dat hen door de nazi's was voorgespiegeld, maar omdat ze hier onder elkaar waren. Het leven in Theresienstadt was bijzonder moeilijk (van de bijna 140 duizend mensen die tussen 1941 en 1945 aankwamen, overleefden er slechts 20 duizend; de anderen stierven in Theresienstadt zelf of werden op transport gezet naar Auschwitz of een ander kamp), maar het leven erbuiten werd voor de joden vrijwel onmogelijk.

Freizeitgestaltung

Theresienstadt werd bestuurd door een Joodse Raad, die weliswaar onder streng toezicht stond van de SS, maar toch redelijk zijn eigen gang kon gaan. De Raad had een uitstekende organisatie opgezet. Er waren afdelingen voor gezondheidszorg en onderwijs (buiten Theresienstadt konden joodse kinderen helemaal niet meer naar school), een technische dienst en een afdeling die zorgde voor afleiding in de 'vrije tijd', de Freizeitgestaltung.

Achteraf klinkt het bijna absurd dat er een bloeiend cultureel leven in Theresienstadt heeft bestaan. Pianiste Edith Steiner-Kraus, die het kamp overleefde, vertelde in een documentaire die onlangs op de Duitse televisie werd uitgezonden: “We waren niet hysterisch. We probeerden voorzover dat ging een 'gewoon' leven te leiden. We werden intussen niet gehinderd door dagelijkse beslommeringen, we hoefden ons geen zorgen te maken over de huur, we hoefden geen boodschappen te doen. Daardoor ontstond er ruimte voor 'hogere' dingen.”

Een groot deel van de kampbewoners behoorde voor de oorlog tot de culturele elites van Praag en Brno, onder hen waren ook veel professionele musici en componisten. Daardoor was het mogelijk om in het kamp complete opera's op te voeren (soms helemaal uit het hoofd ingestudeerd omdat men geen partituren bezat), cabaret-avonden te organiseren en recitals te geven. De Ghetto Swingers speelden jazz, er waren literaire avonden en in de 'Studio für neue Musik' werden belangstellenden wegwijs gemaakt in het moderne idioom. In het kamp bestond vrijwel geen censuur. Er werden Hebreeuwse volksliedjes gezongen, en cabaret-achtige liederen in de stijl van Weill en Eisler, er klonk muziek van entartete componisten als Schönberg en Mahler en er werden opvoeringen gegeven van bijvoorbeeld Die verkaufte Braut van Smetana.

Theresienstadt was niet het enige concentratiekamp waar gemusiceerd werd, maar de mate waarin en het niveau waarop dat gebeurde, was uitzonderlijk. Dat was onder meer te danken aan Viktor Ullmann, die niet alleen componeerde, maar ook de Studio für neue Musik leidde en zelfs recensies schreef van de muziekavonden. Ullmann noemde Theresienstadt 'de leerschool van de vorm'. In zijn dagboek schreef hij: “Vroeger, toen men niet gestoord werd door de lasten van het materiële leven, omdat ze veilig verborgen lagen achter het comfort, die wonderbaarlijke verworvenheid van de beschaving, was het eenvoudig om mooie vormen te creëren. Hier staat alles wat met de muze te maken heeft in schril contrast met de omgeving, hier is de ware leerschool voor een kunstenaar.”

Ullmann werd als componist in Theresienstadt in feite alleen maar gestimuleerd.

In de jaren eraan voorafgaand verliep het werk aan een nieuw stuk vaak uiterst moeizaam. In 1931 stopte hij zelfs met componeren, omdat zijn aandacht geheel in beslag werd genomen door het werk in zijn eigen antroposofische boekhandel in Stuttgart. Pas nadat hij in 1933 voor de nazi's was gevlucht naar Praag, begon hij opnieuw. In de twee jaar dat hij in Theresienstadt gevangen zat, schreef hij daarentegen meer dan dertig werken, waaronder een strijkkwartet, drie pianosonates (waarvan één met aanwijzingen voor orkestratie, kennelijk om later uit te werken tot een symfonie), koorwerken, liederen en de opera Der Kaiser von Atlantis. 'De wil om te scheppen, is dezelfde als de wil om te leven,' zei Ullmann.

Rode Kruis

Lange tijd werden de organisatoren van de Freizeitgestaltung niet op transport gezet naar Auschwitz. De georganiseerde vrijtijdsbesteding zorgde voor enige rust in het overvolle kamp en kon handig worden gebruikt als propagandamiddel. De beroemde Duits-joodse regisseur Kurt Gerron, een van de kampbewoners, werd door de nazi's verplicht mee te werken aan een film waaruit moest blijken hoe goed de joden het hadden. Tijdens een zorgvuldig georganiseerd bezoek van het Internationale Rode Kruis in juni 1944 werd de film, die later bekend zou worden onder de titel Der Führer schenkt den Juden eine Stadt, opgenomen. Voor de gelegenheid was het kamp fris geschilderd, er was voor één dag zelfs vers fruit en chocola, er werd speciaal getto-geld gedrukt en er klonk prachtige muziek; zo werd de kinderopera Brundibár van Hans Krása opgevoerd. Van overvolle barakken was geen sprake, in de weken tevoren waren 7500 zwakkeren en zieken op transport gesteld. De film van Gerron, is nooit in roulatie gegaan - de nazi's hadden het intussen te druk met het verliezen van de oorlog.

Een paar maanden na het bezoek van het Rode Kruis, had het kamp aan zijn propagandaverplichtingen voldaan. Het transport van 16 oktober 1944 (in een maand dat er elf transporten naar Auschwitz vertrokken, vlak voordat het vernietigingskamp door de Russen werd bevrijd) bestond vrijwel alleen uit musici. Onder hen ook de componisten Hans Krása en Viktor Ullmann, en dirigent Rafael Schächter.

In Theresienstadt kon muziek levens redden, zoals dat van pianiste Edith Steiner-Kraus. Ze was nog maar net in Theresienstadt, toen ze haar naam op een lijst voor transport naar Auschwitz zag staan. Om aan het vertrek te ontkomen, gaf ze een recital. Haar naam verdween van de lijst. In Auschwitz ontkwam de bariton Karel Berman juist aan de dood door te zeggen dat hij arbeider was. Voor hem in de rij werd Frantisek Weissenstein direct naar de gaskamer gestuurd toen hij eerlijk zei dat hij musicus was.

Ullmann ontkwam niet. In Theresienstadt had hij nog even getwijfeld of hij zijn dierbaarste bezit, zijn partituren, zou meenemen naar Auschwitz. Maar uiteindelijk liet hij ze bij een vriend achter. Het betekende de redding van zijn muziek, ook al moest die lang op erkenning wachten. Op 16 december 1975 werd Der Kaiser von Atlantis voor het eerst uitgevoerd, bij de Nederlandse Operastichting. Kerry Woodward, de dirigent van die voorstelling (die overigens afweek van het origineel, dat in 1989 in Berlijn in première ging) schreef erover: “Toen ik [het werk] had ontdekt en er een voor opvoering geschikte uitgave van had verzorgd, ging ik op zoek naar een gezelschap dat de opera zou willen doen. In Duitsland noch in Amerika bleek ook maar iemand bereid dit risico te nemen met een holocaust-werk dat in een concentratiekamp was geschreven door een betrekkelijk onbekende Tsjechisch-joodse componist.”

Nog steeds is het bijna niet mogelijk om naar deze muziek te luisteren zonder de geschiedenis ervan erbij te betrekken. Ullmanns opera heeft een scherp en rafelig geluid; hoe kan het ook anders, ben je geneigd te denken. Maar het verband met de internering is niet vanzelfsprekend - bij Kurt Weill, aan wie de klank soms herinnert, is zo'n relatie er tenslotte ook niet. En dat Ullmann in de opera ondanks enkele ontroerende momenten nooit echt lyrisch wordt, heeft meer met het verhaal te maken, dan met de omstandigheden. Zijn andere muziek is soms wel degelijk verstild van toon. Ullmann was in Theresienstadt weliswaar van de buitenwereld afgesloten, maar zijn muziek bouwde voort op het expressionistische idioom van de jaren twintig en dertig. Hij verdient, net als al die andere componisten van Theresienstadt, een beoordeling die los staat van de omstandigheden waarin de muziek ontstond. Die muziek zal dat oordeel zeker overleven.