De volheid van het leven

De goede voornemens voor 1961 hielden niet lang stand. Al na een week was de onrust zo groot, dat het geen nut had de studieboeken open te slaan. Uitkomst bood als vanouds de pick-up, maar ook Dave Brubeck en het Modern Jazz Quartet wisten het tij niet te keren. Dan maar de straat op, een andere oplossing was er niet. Een uur later zat ik bij de kapper die voor vier gulden een ligne horizon aanbracht, een gestroomlijnd kapsel in de trant van Perry Como. De prijs was exorbitant, maar het resultaat mocht er zijn: zo droeg je, al was het op bescheiden wijze, iets bij aan de nieuwe tijd.

Vooral voor bioscoopbezoekers was die opwindend. We leken te gast op een reusachtig festival waar allerlei regisseurs, broederlijk vereend, lieten zien dat zij de top van hun kunnen hadden bereikt. Een jaar eerder al was het begonnen met Otto Premingers Anatomy of a Murder en North by Northwest van Alfred Hitchcock, wat later volgden drie Bergmans (waaronder Wilde Aardbeien), Fellini's La Dolce Vita en Billy Wilders The Apartment, een onnavolgbare mengeling van humor en sentiment.

Begin 1961 ging het zonder respijt verder. Tuschinski zette de toon met Moderato Cantabile van Peter Brook (Jeanne Moreau voelt een verlangen groeien te worden gewurgd) om al na een week de koers te wijzigen met Hitchcocks Psycho: Janet Leigh vindt ongevraagd de dood onder de douche in het Bates Motel. Daarna was het de beurt aan de Russische Tsjechov-verfilming De dame met het hondje, de nieuwste van Bergman (Ansiktet) en aan Stanley Kubrick met Spartacus, een bewijs dat het mogelijk is een persoonlijk getint spektakel te maken. Het mooiste waren de scènes waarin het Romeinse leger zich opmaakt voor de strijd. Dat kwam vooral door de montage op maat van de muziek van Alex North die, net als Bernard Herrmanns bijdrage aan Psycho, lang haar invloed deed gelden.

Een pendant voor huiselijk gebruik was de grijs gedraaide plaat van West Side Story. Mijn voorkeur ging uit naar Cool, een nummer dat onmiddellijk de gedachte aan een naderend studiedebâcle wist uit te bannen. Easy does it/ Turn off the juice boy/ Just play it cool zongen de Jets, maar het omgekeerde gebeurde: hun ritme zweepte zo op dat je erna moeilijk thuis kon blijven zitten. Een goede oplossing was een bezoek aan het Stedelijk Museum, dat in de vroege lente van dat jaar de tentoonstelling Bewogen Beweging huisvestte. Na aanschaf van een kaartje stapte je er, als Alice door de spiegel, een nieuwe wereld binnen. Meer nog dan door de mobiles van Calder en de zaal met vibrerende wanden van Soto, werd de sfeer er bepaald door de vrolijke schildermachine van Tinguely: een aanwijzing te meer dat alles veranderde, dat de grenzen werden verlegd.

Na een tweede bezoek leidde deze conclusie tot uren vol ongerichte activiteit. Toch kwam het nog tot aanschaf van een paar nieuwerwetse schoenen, die me aan het eind van de middag naar Américain brachten. Het doel was als vanouds de leestafel, de plek waar een kamerbewoner even de volheid van het leven kon proeven. De ober bracht de eerste pils, aan de overkant naderden een schrijver en een veelbelovende acteur, voor me viel een zonnestraal op het gewaagde blad Twen - alles was perfect, het beeld volmaakt. Op een van dit soort momenten, denk ik achteraf, moet het idee zijn ontstaan dat Amsterdam de navel was van de wereld: een misverstand dat nog lang een rol bleef spelen.

De maanden die volgden stonden in het teken van een nieuwe ontdekking. Deze keer ging het om Michelangelo Antonioni, een filmer met een open oog voor een nog vrij recent verschijnsel: de moderne, gevoelsarme mens, nauwelijks in staat tot communicatie. Nadat Moderato Cantabile al een voorproefje had gegeven, werd dit thema nadrukkelijk uitgewerkt in La Notte en vooral het eerder gemaakte l'Avventura.

Monica Vitti was hierin de verpersoonlijking van een vrouw in een isolement, iemand die een vluchtige romance beleeft terwijl zij op een eiland zoekende is naar haar vriendin en, al doende, naar zichzelf. Later volgden herhalingsoefeningen in l'Eclisse en Deserto Rosso, ditmaal tegen een decor van bouwterreinen en fotogenieke fabriekscomplexen.

Wie meeging met zijn tijd, bleef bij deze films niet onberoerd. Dat kwam ook doordat ze gewoonlijk draaiden in Kriterion, een theater waar de haperende projector de sfeer van vervreemding versterkte. Toch vond ik het nodig om, steeds als het zover was, even iemand te waarschuwen. Vaak was dat een werkstudent die in de foyer zijn tentamen voorbereidde; hoewel zelf geen kenner zou hij wel even gaan kijken, luidde meestal de boodschap.

Met het oog op deze onderbrekingen koos ik steeds een plaats aan de zijkant, zodat in- en uitlopen geen problemen gaf. Ook verder stond bij het bioscoopbezoek de efficiency voorop. Al enige tijd geleden was het besluit gevallen de vrijdag te reserveren voor films, zodat de rest van de week (bijzondere omstandigheden daargelaten) de studie niet werd belemmerd. Deze opzet ging uit van een strak tijdschema: soms was het zo'n vrijdag met twee films bekeken, de keer daarop kon het nodig zijn er vier achter elkaar te zien.

Dit was bijvoorbeeld het geval op 15 september 1961. Het programma begon om half 10 in de ochtend met Le Trou, de middag was vrijgemaakt voor The City of the Dead (ook bekend als Horror Hotel) en Exodus, waarna de dag eindigde met Zazie dans le Métro.

Met Le Trou liep het die dag eigenaardig. Deze film van Jacques Becker ging over vijf gevangenen die zich gestaag een weg groeven naar de vrijheid. Nadat zij al een eind waren gevorderd, bleek halverwege opeens dat hun tunnel weer in het beginstadium verkeerde. Het publiek reageerde niet, maar de bedrijfsleider toonde zich na afloop beduusd. De filmrollen zullen zijn verwisseld, opperde hij, als beloning twee gratis kaartjes verstrekkend.

Zijn geste bood weinig soelaas, ter bekostiging van de volgende filmdag was meer nodig. Na rijp beraad bleef er maar één oplossing over: het te gelde maken van een stapeltje boeken. Twee weken later al kwamen de platen aan de beurt. Jammer was het wel, maar ja - zo kon ik tenminste weer even vooruit.