De verjaardag van de ransuil; Denken aan

Op een ochtend kreeg de eekhoorn een brief.

Eekhoorn

Ik heb gisteravond mijn verjaardag gevierd.

Er was niemand. Was jij soms verhinderd?

De ransuil.

Ach, dacht de eekhoorn en hij sloeg zich voor zijn hoofd. Maar dat hielp niet, want hij wist helemaal niet dat de ransuil jarig was geweest. Hoe kan ik ook alles weten? dacht hij. Hij wist dat niet en schreef aan de ransuil terug:

Beste ransuil

Het spijt me dat ik er niet was.

Nog wel gefeliciteerd.

De eekhoorn.

Kort daarna kreeg hij een briefje terug.

Beste eekhoorn

Maar heb je wel aan mij gedacht?

De ransuil.

De eekhoorn ging aan zijn tafel zitten en dacht heel diep na. Wat moest hij nú terugschrijven? Hij had niet aan de ransuil gedacht op de dag dat de ransuil jarig was. Maar als hij dat terugschreef zou de ransuil misschien boos worden of verdrietig, of zich onbelangrijk voelen. Misschien kwijnt hij dan wel weg, dacht de eekhoorn. Hij had eens van de mier gehoord dat dat gebeurde als iedereen je vergat. Dat nooit, dacht hij. Wegkwijnen was volgens hem iets verschrikkelijks. Hij beet op zijn pen, kneep zijn ogen dicht, sperde ze wijd open, keek omhoog, krabde achter zijn ene oor en toen achter zijn andere oor en schreef terug:

Beste ransuil

Ik denk heel veel aan je.

De eekhoorn.

Hij had tenslotte de hele ochtend aan de ransuil gedacht. En toen de brief onderweg was dacht hij: hoe zou het nu met de ransuil gaan, wat zou de ransuil vandaag doen, zou de ransuil het mooi weer vinden, zou de ransuil ook van beukenotenhoning houden...? Hij besloot in de toekomst heel vaak aan hem te denken en dat dikwijls ook te schrijven.

Hij ging naar zijn kast en keek of hij nog zoete beukenoten had. Waarom zou het eigenlijk helpen als je aan iemand denkt? dacht hij. Dat moet ik eens aan de mier vragen, dacht hij. Hij had geen zoete beukenoten meer, zuchtte en ging voor zijn deur zitten. Zou de ransuil nu niet bedroefd zijn. En zou hij nu aan míj denken? Wat zou hij eigenlijk van mij vinden?