De medaille onder de grond; Dieren als oorlogshelden

Hoewel het de soldaten eigenlijk was verboden dieren als mascotte mee te nemen naar het front, werd het meestal oog- luikend toegestaan. Soms ontwikkelde zo'n dier zich tot een werke-lijke medestander: hond Rob bijvoorbeeld, die twintig parachute-sprongen maakte achter de vijandelijke linies; of de bruine beer Voytek, die projectielen sjouwde bij de aanval op Monte Cassino. Evelyn Le Chêne schreef een boek over dieren als oorlogshelden.

Evelyn Le Chêne Silent Heroes - The Bravery & Devotion of Animals in War. Uitg. Souvenir Press, 224 blz. Prijs ƒ52,80.

E. P. Evans The Criminal Prosecution and Capital Punishment of Animals - The Lost History of Europe's Animal Trials. Uitg. Faber and Faber. Prijs ƒ21,50.

In The Criminal Prosecution and Capital Punishment of Animals schrijft E.P. Evans hoe meikevers, bijen, horzels, sprinkhanen, vliegen, mollen en veldmuizen in de Middeleeuwen per groep massaal voor het gerecht werden gedaagd. Vaak was de aanklacht een mislukte oogst. Ze kregen een advocaat die de beschuldiging van de aanklager ten overstaan van de rechter moest weerleggen. Vrijspraak volgde er zelden. Meestal werden de gedierten des velds of een zwerm insekten in de ban gedaan.

Dat gebeurde bij verstek. Een sprinkhaan zou in een doosje nog wel bij het proces aanwezig kunnen zijn, maar ze konden niet allemaal worden gedagvaard. Toch valt uit een bewaard gebleven pleidooi op te maken dat een advocaat over een sprinkhaan eerbiedig als 'Mijn cliënt...' sprak.

Meer ontwikkelde dieren als paarden, honden, schapen, geiten, stieren en vooral varkens verschenen werkelijk, soms in een in broek of jas, als een individu voor de rechter, in 1386 werd in Falaise, een stad in Normandië, een keurig gekleed varken berecht, schuldig bevonden aan een moord op een kind van drie maanden en ter dood veroordeeld. Het zat weken gevangen tussen menselijke verdachten en werd ten slotte voor een groot publiek op het schavot van het marktplein aan de galg opgehangen.

The Criminal Prosecution and Capital Punishment of Animals is voor het eerst in 1905 verschenen en het werd acht jaar geleden herdrukt. Ik schreef erover voor het CS van 28 augustus 1987. Het boek maakt de indruk dat het geheel en al is verzonnen. Deze satirische verhalen zouden door Jonathan Swift bedacht kunnen zijn, maar de afgebeelde doodvonnissen en andere processtukken laten er geen twijfel over bestaan dat de geschiedenis van het terechtgestelde dier op waarheid berust.

Het leek mij niet mogelijk dat deze wonderlijke studie ooit een vervolg zou krijgen. Met de verschijning van Silent Heroes - The Bravery & Devotion of Animals in War van Evelyn Le Chêne is dat nu toch gebeurd. De boeken sluiten zo sterk op elkaar aan dat ze aan een tweeluik doen denken waarvan één deel was zoekgeraakt.

Heldendom

In Silent Heroes wordt het dier als een oorlogsheld geëerd. Nadat het jaren op het slagveld heeft meegestreden, krijgt het een medaille om z'n nek, loopt het vooraan in een erestoet, wordt het door een koning of president ontvangen en krijgt het na al die bewezen diensten soms een grafsteen met een tekst als 'To the Dear Memory of Rob War Dog 471/322, Britain's First Parachute Dog who served 3 and a half years in North Africa and Italy with the 2nd Special Air Service Regiment, died 18 january 1952 aged 12 and a half years, erected by Basil and Heather Bayne in Memory of a Faithful Friend and Playmate.'

Evans kon voor zijn onderzoek alleen geschreven bronnen gebruiken. Geen dier hoefde meer in de rechtszaal te verschijnen, al was de echo van de banvloek nog niet helemaal verstomd. Hij citeert een Amerikaan uit Maine die in 1888 de ratten in zijn kelder schriftelijk sommeerde z'n huis te verlaten anders zou hij hen tot zijn spijt moeten vergiftigen.

Voor Silent Heroes had Evelyn Le Chêne het iets makkelijker. Over het heldendom der dieren was meer geschreven en omdat een aantal van de door haar gekozen verhalen zich in de Tweede Wereldoorlog afspeelt was het ook nog mogelijk met menselijke ooggetuigen te spreken. Hoewel het de soldaten eigenlijk was verboden een hond, een aap, een ezel, een papegaai of een beer als mascotte mee te nemen naar het front werd het meestal oogluikend toegestaan. Veel kwaad kon het niet. Het werd een ernstig spel om het dier zelfs bij de gruwelijkste veldslagen in leven te houden. Binnen de eigen linies moest iets kwetsbaars worden beschermd en dat verhoogde de vastberadenheid van de troepen.

Soms ontwikkelde zo'n dier zich tot een werkelijke medestander.

Op 17 januari 1944 zetten de geallieerden een grootscheepse aanval in op de Italiaanse berg Monte Cassino waar de Duitsers zich in een vrijwel onneembaar klooster hadden verschanst. Het verzet van de Panzer-Grenadier Divisie was veel groter dan de Britten, Fransen, Amerikanen, Nieuwzeelanders, Canadezen en Polen verwachtten. Pas vier maanden later kon de berg met behulp van luchtaanvallen worden genomen. Aan de zijde van de geallieerden had de strijd meer dan honderdtienduizend manschappen gekost.

De beer Voytek hoorde bij de 22nd Company of The Artillery Supply Command dat grotendeels uit Polen bestond. De soldaat Peter Prendys had het dier, toen het nog heel jong was, in Palestina van een jongen gekregen. De beer was buitengewoon vriendelijk. Hij vond het heerlijk om een soldaat achterna te zitten of om zelf speels te worden opgejaagd. Als de troep ergens kwartier had gemaakt kwam hij bij elke tent langs.

Toen de aanval op Monte Cassino begon was Voytek volwassen. Als hij op z'n achterpoten stond stak hij boven elke militair uit. Prendys liet de beer in het kamp achter wanneer hij met z'n truck naar het front moest om de Britten en Polen met munitie en voedsel te bevoorraden. Op een dag, net voor hij wegreed, ging Voytek recht voor de vrachtwagen staan. Wat wilde hij duidelijk maken? Peter knikte, de beer maakte de deur van de truck open, slingerde zichzelf naar binnen en reed mee naar het front.

Niet lang daarna droeg Voytek, net als Prendys en de andere soldaten, zware kisten met munitie naar militairen in vooruitgeschoven posities. Op een dag moesten vijfentwintig ponders voor de artillerie worden uitgeladen en zonder dat iemand hem daartoe de opdracht gaf stond Voytek ineens met uitgestrekte armen in de rij van soldaten, die met hun handen de projectielen boven hun hoofd moesten verplaatsen.

Deze samenvatting doet geen recht aan de uitgewogen schrijfwijze van Evelyn Le Chêne. Steeds geeft zij eerst een feitelijk verslag van een oorlogshandeling. Pas als het gevecht op de Krim, in het oerwoud van Birma, op de Atlantische oceaan, in de puinhopen van Londen, op een rivier in China, bij Verdun, achter de dijken van Walcheren, in Noord-Afrika of op de Afghaanse steppen in volle gang is richt zij haar aandacht op het meegebrachte dier om via zijn zintuigen op de vreemdste plekken aan de strijd deel te nemen.

Kanongebulder, gaswolken, bombardementen, vuurzeeën, het dier blijft z'n weg zoeken en brengt het er in deze verhalen vreemd genoeg meestal levend af. Door z'n haast niet te geloven aanwezigheid, z'n onvoorspelbare bewegingen en vaak min of meer toevallige heldenmoed schiet er een eigenaardig contrast in elke voorstelling.

Le Chêne verkleint de actie niet tot een dier, maar vereenzelvigt zich in een hoek met z'n dichtbijdegrondse gewaarwordingen. Door schrandere uitsnedes en gewaagde close-ups geven allerlei bijzaken het zwaarste tafereel diepte. Zo keek de dichter Jan Elburg naar de kikkers op het schilderij van Paulus Potter om met hun gekwaak de logge stier, die veel meer ruimte in beslag neemt, tot leven te wekken.

Bevalling

De jungle in Birma, derde week van april, 1944. Vanaf 5 maart hadden zeshonderdvijftig Dakota-vluchten van de Chindit 20th Lancashire Fuseliers niet alleen wapens, munitie en twaalfduizend manschappen, maar ook tweeduizend lastdieren - ezels, muilezels, pony's - naar de in het oerwoud geïmproviseerde landingsbanen achter de Japanse linies vervoerd om de vijand vandaaruit op een tweede front onverwachts te kunnen aanvallen.

Die derde week van april, schrijft Le Chêne, had de strijd zijn hoogtepunt bereikt. De stekende zon, de van muskieten vergeven lucht, het begin van de moessonregens en het grote aantal slachtoffers maakten het er niet beter op. De Japanners waren met wapens en manschappen verre in de meerderheid. Het mortiervuur begon opnieuw, heviger dan ooit. Sergeant Lee werd afgeleid door een lastdier dat om onbekende oorzaak in moeilijkheden was geraakt.

Lee bukte zich over de pony, die was gaan liggen. Tussen al die explosies en rondvliegende granaatscherven waren de weeën begonnen. Dan beschrijft Le Chêne, zonder een zweem van overdreven sentiment, een scène die karakteristiek is voor haar boek.

Vele handen schoten toe. Er werd vlug een bed voor de merrie gemaakt. Terwijl de bommen insloegen kwam er een veulen ter wereld. Toen het, de ogen nog gesloten, meteen op z'n poten als lucifershoutjes wilde gaan staan werd het door de uitgeputte Chindits met kreten van vreugde begroet. Even leek het of de oorlog niet meer bestond. Toen die werd gewonnen ging de Minnie gedoopte pony als de officiële mascotte van het regiment mee terug naar Engeland.

Le Chêne's woorden lopen uit in een beeld, steeds weer. Zorgvuldig leidt ze de lezer naar het dier dat als het eenmaal optreedt deel uitmaakt van een geschreven tekening, een paar zwarte lijnen in de ruimte van het wit.

Sebastopol, september, 1855. Daar gaat de cyperse kat Tom, hij wordt tussen de ruïnes van de stad gevolgd door een groep Britse soldaten. Ze lopen een eindje van hem af om de kat het initiatief te schenken, dat mag hem nooit worden ontnomen, anders zal hij niets doen.

Alle aandacht valt op Tom. Hij is net als de gevangen genomen Russen goed gevoed. De Krim-oorlog heeft lang genoeg geduurd, de soldaten sterven van de honger. Er is nergens in de stad eten te vinden. Waarom ziet die kat er dan zo voortreffelijk uit?

Niet bekend

In de haven staken de masten en touwen van een paar oorlogsschepen boven de waterspiegel uit. Een uitgebrande stoomboot lag in het dok. Tom liep naar grote steenbrokken die de toegang tot een loods versperden. De mannen ruimden het puin op en toen ze naar binnen konden zagen ze een schatkamer die vol met voedsel was gestapeld.

Tom leidde de overwinnaars naar andere voorraden en om het heldendom van de kat een beetje te temperen schrijft Le Chêne dat hij op weg was naar zijn vaste jachtterrein voor ratten en muizen dat door de beschietingen ontoegankelijk was geworden. De Russische kat mocht als Engelse oorlogsheld mee naar Groot-Brittannië, al was het niet eenvoudig om hem aan het hoofd van een parade te laten lopen.

Wat vonden de beer Voytek, de pony Minnie en de kat Tom zelf van hun heldenmoed? Die vraag beantwoordt Le Chêne wijselijk genoeg niet.

In zijn inleiding uit 1987 bij het boek van Evans schrijft Nicolaas Humphrey dat het gedrag van een sprinkhaan binnen de kerkelijke wet kon vallen door hem als een oogstmisdadiger met een eigen verantwoordelijkheid te brandmerken. In Silent Heroes gebeurt het omgekeerde. Een beer, een pony, een kat, een hond, een ezel, een duif of een paard lijken met veel begrip voor het menselijke vrijheidsideaal geheel uit eigen wil de goede kant van een oorlog te hebben gekozen, al raakte er wel eens een dier, net als Tom, in handen van de vijand. Veldmaarschalk Lord Montgomery behaalde zijn grootste overwinning toen hij het Duitse leger van veldmaarschalk Erwin Rommel bij El Alamein in Noord-Afrika versloeg. Le Chêne begint over deze strijd omdat een klein detail van Montgomery's zege bij het onderwerp van haar boek hoort. De Engelse aanvoerder had veel ontzag voor Rommel, die terug in Duitsland zelfmoord pleegde; de Gestapo verdacht hem ervan dat hij bij het Stauffenberg-complot tegen Hitler betrokken was. Een foto laat een trotse Montgomery zien op de rug van Rommels lievelingsschimmel, die aan Duitse zijde had meegestreden aan het front.

Le Chêne wijdt een aantal hoofdstukken aan dieren die speciaal voor de oorlog werden opgeleid. In de Eerste Wereldoorlog voorspelde de hond Stubby op het slagveld bij Verdun een explosie door plat op de grond te gaan liggen en de poten tegen zijn oren te houden. Hij kon de vijand van zijn eigen troepen onderscheiden en nam soms een tegenstander gevangen. Zijn reuk was net zo ontwikkeld als zijn gehoor. Soms begon hij te blaffen, stak zijn kop onder een kledingstuk of een andere beschutting en dan wisten de manschappen het al: een gasaanval was op komst.

Door dit van angst vervulde gedrag van één dier bij wat zij 'a deafening crescendo' van vuur noemt schetst Evelyn Le Chêne de wijdste oorlogsruimte, keer op keer. Ze dringt ook door in de grond. Als Londen door bommen is getroffen volgt ze de hond Irma die uit de geurbende in het puin dagen na de aanval nog slachtoffers weet te halen. Door de reukinrichting van een hond te beschrijven worden de brokkelige sleuven, horsten en slenken tussen het steen zichtbaar. De hond Beauty begon op een schijnbaar willekeurige plek te graven en vond in de diepte een kat onder een tafel. Men begon nu ook naar andere huisdieren te zoeken en na Beauty's eerste vondst voel je ineens dat het onder het puin wemelt van katten, meer dan zestig werden er nog gevonden.

Grootste gevolg

Het kleinste geoefende dier is de duif. Winkie vloog in het begin van de Tweede Wereldoorlog van een neergeschoten Engels vliegtuig in de Noordzee naar de RAF Pigeon Service aan de wal. Het was een vlucht van tweehonderd kilometer.

De dienstdoende officier zag niet alleen dat de vogel van het zoekgeraakte vliegtuig was opgestegen. De duif zat onder de olie en was volkomen uitgeput. Met die gegevens en de snelheid van de wind kon hij berekenen waar het vliegtuig was neergestort. De bemanning werd gered.

De vlucht met het grootste gevolg begon in het Italiaanse Pave, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Vijftienhonderd Italianen, leden van de geallieerden, waren omsingeld door een troep van drieduizend Oostenrijkse soldaten. Niemand was op de hoogte van hun positie en ze konden die ook aan niemand meedelen. Hun enige hoop was de postduif. Twee duiven werden met een bericht losgelaten. Ze bereikten de geallieerde linies en daarna werden niet alleen de Italianen bevrijd, maar konden alle Oostenrijkers gevangen worden genomen. Het loslaten van de duif, het gefladder, het kracht zetten vlak voor hij opstijgt en dan z'n geheime vlucht van honderden kilometers, met die bewegingen brengt Evelyn Le Chêne een oorlog zeer nabij.

Wat vonden de dieren er zelf van? De vraag verstomt niet en misschien heeft Evelyn Le Chêne die toch beantwoord. Niet met een uitvoerige beschouwing, maar met een paar beelden, die zeggen genoeg.

Rob vocht aan het front in Noord-Afrika en Italië. Hij is oorlogshond 471/322 van wie in dit stuk het grafschrift werd geciteerd. Hij maakte meer dan twintig sprongen per parachute achter de vijandelijke linies. Op 27 november 1945 werd hij met een militair escort teruggebracht naar de familie Bayne die hem zolang de oorlog duurde had uitgeleend.

Rob herkende zijn vroegere huisgenoten en wende weer snel in het landelijke dorp. Hij was vroeger een hond die het vee hoedde. Rennend achter de kudde dreef hij de dieren de goede kant op. Dat lukte niet meer. Rob wilde alleen nog maar voorop lopen, als eens aan het front.

Op een van de laatste bladzijden van Silent Heroes staat in telegramstijl het leven van Mustard, een goudkleurige cocker spaniel. Hij diende bij The US Air Force's Air Transport Command. Honderden vlieguren had hij gemaakt en ook nog tien tochten door het luchtruim van de Verenigde Staten. Vlak voor z'n vijfhonderdste vlucht moest hij worden geëerd. Een medaille van been werd aan een lint om zijn nek gehangen.

Mustard maakte met z'n poten een holte in de grond, tikte het ereteken van z'n nek en begroef het. De aarde vloog in het rond. Na elke nieuwe vlucht haalde hij de medaille even tevoorschijn om hem daarna weer te begraven.