De hoge prijs van de Europese driehoek

In een vraaggesprek met de Financial Times (van afgelopen woensdag) heeft Euro-Commissaris Hans van den Broek de discussie over de buitenlandse politiek van de Europese Unie een nieuwe wending gegeven. Van den Broek waarschuwde ervoor dat de drie grote Europese mogendheden, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannie, bezig waren de andere lidstaten uit het proces van beleidsvorming te dringen. Niet een as, die tussen Bonn en Parijs, vormt de drijfkracht, zoals in Den Haag nog wordt verondersteld. De gedachtenwisseling speelt zich af binnen de driehoek.

Op zichzelf is dat geen nieuws. Als minister en als voorzitter van de Europese Gemeenschap heeft Van den Broek op dit gebied al het nodige meegemaakt en hij spreekt dus tegen de achtergrond van een lange ervaring. Bijvoorbeeld zijn pogingen in de zomer van 1991 om namens de Gemeenschap uitstel te bewerkstelligen bij het uiteenvallen van de Joegoslavische republiek werden de grond in geboord door Duitse en Franse assertiviteit, terwijl de Britten weigerden hun door de Nederlanders toegedachte rol van het natuurlijke tegenwicht te vervullen.

Toch zijn de uitspraken van de Europese Commissaris voor buitenlandse betrekkingen van een andere dimensie. Van den Broek is niet meer de vertegenwoordiger van een klein land die als gevolg van een bizarre vuistregel op een moment van zware crisis de Europese voorzittershamer hanteerde, en vervolgens door de zwaargewichten om hem heen onder de voet werd gelopen. In zijn tegenwoordige functie is hij de door alle lidstaten aanvaarde grondlegger van wat eens een communautaire buitenlandse en veiligheidspolitiek moet worden. Zijn recente waarschuwing dient daarom niet alleen serieus te worden genomen door de twaalf overige lidstaten als zodanig, maar ook door alle instellingen van de Unie die geacht worden de communauteit te bewaken en te bevorderen.

Natuurlijk zou een koele waarnemer kunnen concluderen dat de zaken nu eenmaal gaan zoals zij gaan, Unie of geen Unie. De belangen der grote mogendheden en hun onderlinge machtsverhoudingen zijn doorslaggevend. Waar die belangen botsen, zoeken deze staten een vergelijk en daarbij kunnen ze machteloze pottekijkers missen. Toen Bonn hard van stapel liep met de diplomatieke erkenning van de Joegoslavische deelrepublieken en toen dat in Frankrijk tot minder gewenste historische oprispingen leidde, vervoegde president Mitterrrand zich bij kanselier Kohl met de oproep samen het Europese schip voor stranding te behoeden. Ten slotte diende 'Maastricht' zich aan en waren beide landen ertoe veroordeeld van de op handen zijnde Unie een succes te maken.

De kanselier stelde de erkenning uit tot na Maastricht, Mitterrand sloot zich aan bij de richting van de Duitse politiek, de Franse critici van de aanvankelijke Alleingang werd het zwijgen opgelegd. De rest van het verenigde Europa volgde gehoorzaam en kreeg als wederdienst het recht om deel te nemen aan de door Portugal geinitieerde en door Parijs enthousiast omhelsde VN-interventie in het voormalige Joegoslavie. Alleen Duitsland bleef op historische gronden militair aan de zijlijn staan, hoewel het de gezamenlijke diplomatie voor een voldongen feit had geplaatst. Nederland op zijn beurt zag zijn politiek (waarvan het had aangenomen dat zij ook die van de Gemeenschap als geheel was) aan scherven liggen. Den Haag restte niet anders dan via een soldateske krachtproef een aandeel in de vredesmacht te verwerven. Hetgeen diplomatiek overigens nauwelijks of geen rendement heeft opgeleverd.

Joegoslavie levert nog steeds een passend voorbeeld van hoe de zaken in de Unie worden afgewikkeld en het is niet uitgesloten dat Van den Broeks waarschuwing ook daardoor was geinspireerd. De gezamenlijke macht van de Europese grote drie mag op het strijdtoneel zelf dan wel in totale onmacht-in-vereniging zijn verkeerd, hoe er op die onmacht wordt gereageerd bepalen nog steeds diezelfde drie mogendheden. Hoe lang er al wordt gepraat over een eventueel vertrek van de VN uit de baaierd van willekeur en geweld, hoezeer ook detachementen van andere landen verliezen lijden, of de daad bij het woord wordt gevoegd of dat er toch nog een zoveelste bemiddelingspoging wordt ondernomen, hangt af van het overleg tussen Parijs, Londen en Bonn.

Het lot van twee Franse slachtoffers van de alom in Bosnie actieve scherpschutters brengt onmiddellijk twee van Frankrijks hooggeplaatsten op de plaats des onheils en doet opnieuw de vraag rijzen hoe lang het nog verantwoord is blauwhelmen aan dit wrede spel bloot te stellen, een Nederlandse gesneuvelde wordt in alle stilte naar het vaderland overgevlogen zonder dat iemand dat verlies in verband brengt met de aard van de omstandigheden ter plaatse.

In 1991 kon de kritiek op het functioneren van de Europese communauteit worden weggewimpeld met het verweer dat de Unie nog moest worden opgericht. Inmiddels bestaat de Unie en daarmee, ook al is het in aanleg, een mechanisme voor een werkelijk communautaire gedachtenwisseling en besluitvorming, ook over de Europese buitenlandse en veiligheidspolitiek. Nauwkeuriger gezegd, die politiek is al lang in uitvoering: er bevinden zich in Joegoslavie vanaf het begin van de crisis waarnemers namens de Gemeenschap/Unie, er is een Europese bemiddelaar voor wiens optreden de Unie verantwoordelijkheid draagt, er is een aanwezigheid van de West-Europese Unie, er is de namens de Unie bestuurde Bosnische stad Mostar en ook al staan de detachementen blauwhelmen formeel onder bevel van de VN, hun aanwezigheid is voorzover zij uit de lidstaten van de Unie afkomstig zijn, toch zeker een geeigend onderwerp voor communautair-Europese beraadslaging.

Het jaar 1996 dient zich aan, het jaar waarin 'Maastricht' moet worden herzien en aangepast en waarin ook het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijke Europese defensiebeleid verder gestalte moeten krijgen. Ondermeer zal de aandacht worden opgeeist door de veronderstelde noodzaak de besluitvorming in de communautaire organen te stroomlijnen. Dat zou nodig zijn geworden door de uitbreiding van de Unie met drie nieuwe lidstaten. Die stroomlijning, daarover zijn de grote drie het eens, zal ten koste gaan van de andere twaalf. Maar wie goed naar Van den Broek heeft geluisterd, zal zich wel tweemaal bedenken om die prijs zonder meer te betalen.