Appelen als peren

Als iemand in een debat een minder juiste -of minder welkome -vergelijking trekt zegt men wel: hij vergelijkt appelen met peren. Blijkbaar veronderstelt dat gezegde, dat dat niet mag: appelen zijn anders dan peren, dus mag men ze niet vergelijken.

Was het maar zo makkelijk. Juristen -daar heb je ze weer - willen nogal eens net het omgekeerde beweren: appelen verschillen natuurlijk van peren, maar omdat iedereen voor de wet gelijk is moeten wij aan de verschillen voorbijgaan. Appelen moeten behandeld worden of zij peren waren, en omgekeerd. Anders wordt (minstens) een van beide gediscrimineerd. En discriminatie mag natuurlijk niet.

De Grondwet zegt: allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Ik denk niet dat er iemand is, die daaraan zou willen tornen. Maar wanneer zijn gelijke gevallen werkelijk gelijk - wanneer mogen wij het verschil tussen appelen en peren opmerken, en wanneer moeten wij onze ogen daarvoor sluiten? Nou, dat is makkelijker dan u dacht: als er verschillen bestaan die een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormen voor een onderscheid in behandeling, dan mag men daar rekening mee houden. En anders niet.

Alleen: dat is weer makkelijker gezegd dan gedaan. Want over de vraag wanneer het redelijk en objectief te rechtvaardigen is om met verschillen rekening te houden kun je héél gemakkelijk ruzie krijgen. Dat gebeurt dan ook met grote regelmaat. Mag een (bijzondere) school bijvoorbeeld een leerling weigeren die niet de door de school voorgestane geloofsopvatting heeft? Ja, dat mag. Mag men een niet-christelijke werknemer weigeren om vrij te nemen op een religieuze feestdag van zijn geloof, als andere werknemers op de algemeen erkende (christelijke) feestdagen wèl vrij kunnen krijgen? Ja, daar mag men onderscheid naar maken. Is het terecht dat wettige kinderen betere rechten hebben als erfgenaam, dan onwettige kinderen? Nee. Mag men tussen mannen en vrouwen verschil maken als het gaat om recht op salaris, pensioen of andere (sociale) uitkeringen? Nee - en als het om andere rechten gaat ligt dat óók heel gevoelig. Is een regeling toegestaan waarbij alleen de eigen onderdanen gratis toegang tot musea hebben? Nee, dan moet men ook de onderdanen van andere EU-landen gratis toelaten. De variatiemogelijkheden zijn haast eindeloos. De definitieve oplossing van de vraag zal dan ook vermoedelijk nog wel even op zich laten wachten.

Kort geleden kreeg de Hoge Raad met tussenpozen van een week twee vragen van 'ongelijke behandeling' te beantwoorden. Iets méér drukte op dit front dus dan normaal - maar druk is het er eigenlijk altijd.

De eerste vraag was, of men bij het ontslaan van een werknemer doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het feit dat de werknemer 65 jaar of ouder is - of is dat verboden discriminatie op grond van leeftijd? De Hoge Raad wijdde daar een uitvoerige beslissing aan. 65 jaar als 'pensioenleeftijd' is in brede kringen van de bevolking geaccepteerd. Een vaste pensioenleeftijd is makkelijker objectief te hanteren, dan wanneer men van geval tot geval zou moeten beoordelen of de betrokken werknemer nog even mee kan. Ook de instroom van jongere werknemers wordt door het systeem bevorderd; en voor 65-plussers bestaan pensioenvoorzieningen, die de nadelen van ontslag voor een deel opvangen. In die context kan het door de beugel, dat het bij ontslag (groot) verschil maakt of men ouder of jonger is dan 65 jaar. (In een zaak betreffende pensionering, en dus ontslag, van een ambtenaar had de hoogste ambtenarenrechter, de Centrale Raad van Beroep, overigens al ruim een jaar geleden beslist dat dat geen verboden leeftijdsdiscriminatie was).

Een week later kreeg de Hoge Raad te oordelen over deze vraag: een zgn. 'vaderschapsaktie', waarmee men alimentatie kan vorderen van de vader van een natuurlijk kind, moet binnen 5 jaar na de geboorte van het kind worden ingesteld. Zo'n regel geldt niet voor de alimentatieverplichting van 'wettige' vaders. Daarvoor geldt wel een andere, soepelere termijnregeling. Is dat nu discriminatoir? Nee, besliste de Hoge Raad. In het geval van de wettige vader staat het vaderschap al vast, en betreft een alimentatieprocedure alleen de vraag, hoeveel de vader aan alimentatie moet betalen. Bij de 'vaderschapsaktie' gaat het er juist om dat moet worden vastgesteld of de aangesprokene de natuurlijke vader van het kind is. Het gaat dus om twee verschillende vragen, die procesrechtelijk verschillend mogen worden behandeld. Voor de doordenkers voegde de Hoge Raad toe: in gevallen waarin het vaderschap van een natuurlijke vader wèl al vaststaat, mag men dan ook geen andere termijnen aan de aansprakelijkheid voor alimentatie verbinden, dan de termijnen die ook voor 'wettige' vaders gelden (en trouwens ook voor moeders - die mogen natuurlijk niet ongelijk worden behandeld!)

U zult met voldoening constateren dat we weer een paar stapjes vooruit zijn gegaan; maar dan wel op een weg waarop we nog een heel eind te gaan hebben. Houd u het er intussen - op mijn gezag - maar op, dat je appelen niet mag vergelijken met peren.