Woede en spot op Borduren 2000; De tuttigheid is in rook opgegaan

Tentoonstelling Borduren 2000. Acht hedendaagse kunstenaars. T/m 7 mei. Bergkerk, Bergkerkplein 1, Deventer. Di t/m vr 11-17u, za-zo 13-17u. Catalogus ƒ 20,-.

Op Mijn plaats aan tafel is het beroerd zitten. Het tafelkleed is er kapot gekrabd, het borduursel uit het linnen gehaald of er juist met grote woedende steken op aangebracht. Wat langs de andere kanten van het kleed begon als een keurig geborduurde, zoet-paarse slinger van bloemetjes en blaadjes eindigt in een schuimende potpourri van zwarte draden. Anna Verweij-Verschuure maakte het kleed in 1972. Ze lijkt er de waanzin mee uit te willen drukken die een gefrusteerde borduurster bij de arbeid heeft overvallen. Op háár plaats aangekomen, kon ze niets anders doen dan de guirlande definitief laten ontsporen.

Verweij-Verschuure is vijftien jaar geleden gestorven, en buiten de kringen van textielkunst om tamelijk onbekend gebleven. Zij is de oudste deelneemster op de tentoonstelling Borduren 2000 die nu in de Bergkerk in Deventer te zien is. Behalve Verweij koos samenstelster Doris Wintgens Hötte nog zeven kunstenaars van een jongere generatie uit, onder wie Berend Strik, de tweelingzusjes Christine en Irene Hohenbüchler, Antonietta Peeters en de Britse Colette Whiten. Hötte plaatste Verweij's tafel-met-kleed wat verdekt op, in een zijbeuk van de kerk. Maar eigenlijk hoort ieder die binnenkomt daar te beginnen, bij die tafel onder het glas-in-lood, en niet bij het werk van de meest bekende Nederlandse borduurkunstenaar van het moment, Berend Strik, wiens Marche des Débutants (recent aangekocht door de provincie Overijsel) pontificaal in het midden van de kerk staat opgesteld.

Verweij rekende in de jaren zeventig in Nederland af met het beeld van onschadelijk gefröbel dat rond borduurkunst hing. Ze ontvoerde linnen en draad uit het domein van het vrouwelijke, het binnenshuizige. En niet voor even, voor een kortstondige flirt zoals Arp en Malevitsj in jaren twintig hadden gedaan, maar om er een levenslange bintenis mee aan te gaan. Verweij's werk straalt geen geduld uit, geen lijdzaamheid over al die naalden die zich in vingertoppen hebben geprikt, maar woede en spot. Borduurzijde gebruikte zij niet om theemutsen, eierwarmers en merklappen mee te versieren. Het is materiaal, net zo geschikt als verf, hout, textiel of steen om kunst mee te maken.

Wat er in de Bergkerk te zien valt, is daarom onmogelijk onder één noemer te brengen. Het is kunst in de ruimste zin van het woord. Waar Peeters een stretcher volplamuurt met borduursel en er de naam van een heldin uit een driestuiversroman aan hangt, borduurt Arnoud Holleman op wijdmazige rasters teksten als lichtreclames ('Bedankt voor het kijken'). En waar Berend Strik furieus achter zijn naaimachine rauw realistische 'schilderijen' 'punkt', priegelt Connie Dekker heel ambachtelijk ijle zwanevluchten op kussens en gordijnen.

De Britse Colette Whiten is de enige die speelt met de tegenstelling tussen borduren als intieme, 'vrouwonderdrukkende' aangelegenheid en de rol van vrouwen in het openbaar. Whiten reproduceert in piepkleine kruissteekjes krantefoto's van vrouwelijke wanhoop op straat: we zien het van angst vertrokken gezicht van een Somalische vrouw die door een menigte wordt aangevallen, en rouwende Indiase vrouwen. Bij Christine en Irene Hohenbüchler daarentegen is van politiek engagement in de verste verte geen sprake. Hun werk is suggestief, ongrijpbaar en poëtisch. Met pareltjes en pailletten bezette kinderjurkjes zijn spookachtig tegen de kerkmuur genageld, in aquariumbakken weerspiegelen met stof bespannen houten speerpunten zich. Woordraadsels zijn er in gotische letters opgeborduurd. De kleuren zijn fel, de vormen geometrisch en doen in de verte denken aan Latijnsamerikaanse volkskunst. Hun werk vormt samen met dat van Verweij het mooiste wat de tentoonstelling biedt. Tuttigheid is opgegaan in rook.