VNO: vooral in Zuid-Europa zijn obstakels 'zorgwekkend'; Bedrijven klagen over EU-markt

BRUSSEL, 20 APRIL. Het Nederlandse bedrijfsleven is ontevreden over de werking van de vrijgemaakte Europese interne markt. Bijna tweeëneenhalf jaar na het slopen van de Europese 'binnengrenzen' voor het economische verkeer - per 1 januari 1993 - stuiten veel ondernemingen nog steeds op exportbelemmerende obstakels, vooral in Zuid-Europa. Dat is “een zorgwekkend feit”.

Voorzitter Rinnooy Kan van de werkgeversorganisatie VNO en zijn collega Blankert van het NCW hebben dat gisteren gezegd in Brussel in een gesprek met journalisten. Volgens Rinnooy Kan is het slecht functioneren van de interne markt niet alleen nadelig voor het bedrijfsleven, maar “tast het ook het geloof in de dynamiek van een ongedeelde Europese Unie aan”.

Ondernemingen hebben vooral problemen in de handelsrelaties met Zuideuropese landen, aldus Rinnooy Kan. “Dit heeft veelal te maken met de cultuur- en mentaliteitsverschillen en de niet-tijdige implementatie van Europese regelgeving”.

VNO en NCW komen tot deze sombere vaststelling op basis van onderzoek naar de ervaringen van Nederlandse ondernemers met de interne markt. Eind vorig jaar werden al de eerste resultaten gepubliceerd van een enquête in de industriele sector. Daaruit bleek dat EU-lidstaten verschillende produktvoorschriften of produktnormen hanteren. Dergelijke technische handelsbelemmering hinderen de uitvoer, of maken export zelfs geheel onmogelijk.

Vervolgonderzoek in de dienstensector - met name transport, bouwnijverheid, banken en verzekeringen - bevestigt de indruk dat er het een en ander schort aan de werking van de interne markt. Vooral aannemers en transportondernemers melden positieve ervaringen met het slechten van de Europese binnengrenzen, waardoor belangrijke kostenbesparingen kon worden gerealiseerd als gevolg van vermindering van douaneformaliteiten. Maar tegelijkertijd verklaart 90 procent van de door VNO en NCW ondervraagde ondernemers dat ze nog steeds met problemen worden geconfronteerd op de buitenlandse markt.

Rinnooy Kan en Blankert gaven gisteren een kleine bloemlezing van de klachten. Zo bestaat binnen de transportsector ergenis over de verschillen die tussen de EU-lidstaten bestaan bij de invoering van de snelheidbegrenzer en het Eurovignet. “Het is nogal frustrerend voor Nederlandse vrachtwagenchauffeurs dat hun Engelse collega's met een flink gangetje links, of rechts, voorbij komen”.

Dezelfde transportsector heeft te maken met het gegeven, dat Nederland nog al eens geneigd is “om allerlei nationale toeters en bellen te hangen aan Europese richtlijnen”. Met andere woorden: Nederland is roomser dan de paus. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Nederlandse rijtijdenbesluit dat stringenter is dat de regelgeving die in Brussel is gemaakt. Ook laten Nederlandse transportondernemers hun chauffeurs cursussen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen bij Britse opleidingsinstituten in Nederland volgen, omdat de eisen voor het Engelse vakdiploma lager liggen dan de Nederlandse.

Aannemers stuiten in het buitenland veelvuldig op allerlei administratieve voorschriften dien het moeilijk maken om te participeren in openbare aanbestedingen. Vooral in Portugal is bij inschrijving sprake van “een enorme papieren rompslomp”, die “volstrekt overbodig” is, aldus VNO en NCW. Daarnaast worden bouwondernemingen in de EU-lidstaten geconfronteerd met verschillende interpretaties of het ontbreken van duidelijke definities van produktnormen. Voor banken en verzekeraars is de interne markt in juridisch opzicht een feit. Maar nog maar weinig bedrijven maken gebruik van de mogelijkheid om vanuit Nederland rechtstreeks actief te zijn op de buitenlandse markten. Het hoofdprobleem voor de verzekeraars is het ontbreken van gelijkluidende fiscale wettelijk regels.

Op basis van deze bevindingen bepleiten VNO en NCW dan ook dat de komende tijd alle aandacht zal uitgaan vervolmaking en verdere uitbreiding van de interne markt. Dat moet een belangrijk uitgangspunt zijn voor de zogeheten Intergouvermentele conferentie die volgend jaar worden gehouden en waarbij het Verdrag van Maastricht onder de loep wordt genomen.