Turbulentie op valutamarkt brengt Europese monetaire unie dichterbij

De recente valutaire onrust heeft nieuwe twijfel gezaaid over invoering van de Europese en Monetaire Unie in 1997. Ten onrechte, vindt Alman Metten. Er zijn sterke argumenten om aan het gekozen tijdschema vast te houden. De sceptici moeten niet treuzelen, maar de resterende hindernissen slechten.

Eén Europese munt - achter de horizon verdwenen? Voor sommige commentatoren heeft de hernieuwde monetaire turbulentie de doodsklok geluid voor de ecu, de Europese munt die de monetaire eenwording zou moeten bekronen. Hoewel nog niet zeker is wanneer de ecu een wettig betaalmiddel zal zijn, en het zèlfs niet helemaal zeker is dat zij echt komt, is zo'n conclusie volstrekt voorbarig.

Het is een van de paradoxen die de politiek zo interessant maken, dat de huidige turbulenties de ecu zelfs dichterbij kunnen brengen.

Een recent onderzoek van Salomon Brothers, een Amerikaanse investeringsbank, toont overtuigend aan dat een meerderheid van de huidige EU-leden aan de toetredingscriteria voor de Economische en Monetaire Unie (EMU) kan voldoen. Dat betekent dat de EU eind volgend jaar kàn beslissen dat deze landen hun onderlinge wisselkoersen definitief vastleggen, een centrale bank oprichten en vervolgens de ecu wettig betaalmiddel maken in hun landen.

Natuurlijk schept zo'n scenario grote problemen. In de eerste plaats verdeelt het de huidige EU van vijftien landen in tweeën; de landen die tot de EMU met één munt en één centrale bank overgaan, die ongetwijfeld de 'harde kern' genoemd zullen worden, en de overigen, die zich de tweede divisie zullen voelen. Maar de realiteit is dat zo'n tweedeling een gegeven is, ook wanneer de EMU pas in 1999 gerealiseerd wordt. Uitstel biedt hier geen soelaas.

Het tweede probleem is dat de voorbereiding van de introductie van de ecu niet bepaald voortvarend is aangepakt. Twee jaar na het van kracht worden van het Verdrag van Maastricht is er nog steeds geen inventarisatie van wat er voor de invoering van de ecu allemaal nodig is, laat staan dat er al een tijdschema is.

Het Europees Monetair Instituut (EMI), de voorloper van de Europese Centrale Bank heeft weliswaar voor haar eigen taken een inventarisatie gemaakt, maar geheel in de traditie van de centrale banken wordt dit zorgvuldig geheim gehouden, alsof de overgang naar de EMU als een geheime operatie van enkele specialisten behandeld kan worden! In Frankfurt heeft men niets geleerd van de problemen met de ratificatie van Maastricht.

De Europese Commissie komt pas eind volgende maand, anderhalf jaar voor de mogelijke start van de EMU, met een inventarisatie en mogelijk een draaiboek (in het groenboek over de voorwaarden voor de introductie van de ecu).

Ook in het bedrijfsleven is de voorbereiding op de EMU maar net begonnen. Gezien het gebrek aan duidelijkheid en leiding dat de politiek tot nu toe laat zien, is dat ook niet echt verwonderlijk. Wel hebben de banken ons al laten weten dat zij drie à vier jaar nodig zullen hebben voor de introductie van de ecu.

Dus we kunnen de start van de EMU en de invoering van de ecu in 1997 gevoeglijk vergeten? Toch niet. In de eerste plaats kan het natuurlijk niet zo zijn, dat de politieke beslissing om met de EMU te beginnen in 1996 genomen zou kunnen worden, maar dat de technische voorbereiding niet gereed is en de hele operatie alleen daarom een paar jaar uitgesteld zou moeten worden.

In de tweede plaats heeft de wijze waarop de val van de dollar het Europese munststelsel kan bedreigen en de economische ontwikkelingen in de lidstaten fors kan beïnvloeden, de kandidaten voor de EMU met de neus op de feiten gedrukt: ontwikkelingen buiten de greep van de EU-landen kunnen het perspectief op de EMU volstrekt vernielen. Met name Franse politici zijn weer bij de les gebracht. Een gemeenschappelijke munt maakt de deelnemende landen immuun voor een gedeelte van de onaangename effecten van de fluctuaties van de dollar.

In de derde plaats verwacht bijvoorbeeld de Europese Commissie wel een voortgezette groei tot het einde van deze eeuw, maar tekent zij er bij aan, dat de huidige omhoog bewegende conjunctuur vrijwel geheel aan groei-impulsen van buiten de Unie is te danken. Een conjunctuuromslag zou zelfs de realisatie van de EMU in 1999 in gevaar brengen, of tot een zeer klein groepje landen beperken. Met andere woorden: smeed het ijzer nu het heet is. Als de EMU in 1997 kan starten, moet het ook gebeuren. Zekerheid dat er een tweede kans zal komen is er niet.

In de vierde plaats zijn er in 1998 parlementsverkiezingen in Duitsland en Frankrijk. De regeringspartijen zullen het perspectief van een verkiezingscampagne in het teken van de afschaffing van de D-mark en de franc niet aanlokkelijk vinden. Dat is een belangrijk motief om, als aan de voorwaarden voor de start van de EMU in 1997 is voldaan, dan ook werkelijk van start te gaan.

Kortom, veel en zware argumenten voor een EMU die in 1997 start. Als de EMU werkelijk geeft wat zij belooft, dan ligt een zo snel mogelijke start ook voor de hand. Voor bedrijven betekent het minder risico's en kosten, voor particulieren vooral lagere kosten bij grensoverschrijdende aankopen of buitenlandse reizen.

Voor de economie als geheel is er echter nog een belangrijke, tot nu toe verborgen gebleven, verleider. De ecu zal de rol van de dollar als reservevaluta bedreigen, zoniet overnemen. Waarom is dat interessant? De VS hebben honderden miljarden dollars in omloop gebracht, waarvoor zij goederen en diensten in het buitenland hebben gekocht, maar waarvoor zij nooit goederen of diensten hebben hoeven terug te leveren. Die honderden miljarden circuleren namelijk buiten de VS zonder daar ooit terug te keren. De rol van de dollar als wereldreservevaluta levert de VS gratis extra welvaart, lagere inflatie en dus lagere prijzen op. Als de ecu deze rol, al is het maar gedeeltelijk, overneemt (zoals nu de D-mark al een beetje doet), dan valt deze extra welvaart - toegegeven: ten koste van de rest van de wereld - de EMU-landen ten deel.

Blijft nog het probleem dat de invoering van de ecu als wettig betaalmiddel in 1997 volgens vele betrokkenen technisch onmogelijk is. Kan dan de EMU in 1997 van start gaan, terwijl de ecu pas in 1998 of 1999 wettig betaalmiddel zou worden? Dat lijkt me zeer ongewenst, om niet te zeggen politiek onmogelijk. Juridisch is het echter zeker mogelijk. Op de eerste dag van de EMU worden de onderlinge koersen van de munten van de deelnemende landen bevroren. Juridisch en economisch is dat de belangrijkste stap: er is geen wisselkoersrisico meer en er zouden geen kosten meer aan het omwisselen van verschillende munten van deelnemende landen verbonden hoeven te zijn. Of die wisselkosten werkelijk wegvallen, is echter doorslaggevend voor de geloofwaardigheid van de operatie in de ogen van de kleine bedrijven en het grote publiek.

Ook is de vraag hoe bijvoorbeeld de financiële markten reageren op de bevriezing van de wisselkoersen; accepteren zij het als iets definitiefs of zullen zij het zien als iets dat teruggedraaid kan worden? De invoering van de ecu dient niet alleen het gemak van burgers en bedrijven, maar bezegelt ook de onomkeerbaarheid van de EMU. Er zijn dus dringende redenen om de periode tussen bevriezing van de wisselkoersen en invoering van de ecu kort te houden.

In het verkeer tussen banken en het girale verkeer kan de ecu het eenvoudigst ingevoerd worden. Grootste probleem vormen de munten en bankbiljetten. Kunnen er daarvan tijdig voldoende aangemaakt worden?

Ik zou de vraagstelling willen omdraaien; als de politiek besluit tot start van de EMU in 1997, zijn er dan oplossingen te bedenken waardoor de ecu onmiddellijk of uiterlijk na een paar maanden wettig betaalmiddel kan worden?

De centrale banken, met het Europees Monetair Instituut voorop, bedenken nu allerlei redenen waarom de EMU niet in 1997 van start zou kunnen gaan. Zij kunnen Europa een grotere dienst bewijzen door na te denken over de vraag hoe in 1997 al de EMU kan gaan functioneren.