Spelen in de stad

Tien kinderen van de Amsterdamse basisschool De Witte Olifant hebben één dag hun school verruild voor de universiteit. Als deskundigen bij uitstek zijn ze uitgenodigd om samen met drie architecten een ideale speelomgeving te construeren. Wisselende groepen conferentiegangers die zich gedurende drie dagen bezighouden met de vraag: 'Wat is de invloed van de stedelijke omgeving op de ontwikkeling van kinderen?' luisteren met grote aandacht naar wat deze jonge experts te berde brengen. Eerst praten ze aan de hand van foto's over plekken in de stad die ze leuk, saai, spannend of onveilig vinden. Daarna mogen ze vertellen welke spelletjes ze graag doen en wat voor een omgeving daar het meest geschikt voor is. Maar het echte werk begint als ze in twee groepjes zelf hun ideale speelruimte mogen gaan bouwen.

Op vierkante piepschuimplaten en met eenvoudige materialen zoals kralen, rietjes, gekleurd karton, satéstokjes touw en groene takjes scheppen deze kinderen uit de dichtbebouwde Nieuwmarktbuurt in een paar uur tijd hun eigen walhalla. Er is een plek voor de allerkleinsten met eenvoudige speeltoestellen en bankjes voor de vaders en moeders, er zijn watertjes waar grotere kinderen met een touw overheen kunnen zeilen, er is een heuvel met ondergrondse gangen en er zijn hoge, meer uitdagende klimtoestellen voor de grootste kinderen. En natuurlijk zijn er basketbal- en voetbalveldjes.

'Maar', zegt de elfjarige Marcel die namens zijn groep uitleg geeft aan de omstanders, 'er moet wel een hek omheen dat 's avonds dicht gaat, want anders komen er junkies in die er spuiten neergooien en onder het afdakje gaan slapen.' En dat zou snel het einde van hun eigenhandig gebouwde speeltuin De Vlierefluit kunnen betekenen, zo weten de kinderen uit ervaring. Jarenlang was de grondslag van de grootstedelijke politiek dat kinderen eigenlijk niet in de stad thuishoren. Jonge gezinnen werden naar de groene nieuwbouwwijken in de polder gelokt. Veel speelruimte in de stad werd volgebouwd en de overgebleven kinderen moesten maar genoegen nemen met een reepje stoep, afgeschermd door een haag van geparkeerde auto's. 'Kinderen stonden heel lang niet op de economische agenda van de grote steden', concludeert Irene Tom, onderwijsgeografe en een van de organisatoren van de eerste internationale conferentie over kinderen in de grote stad. Maar er treedt langzamerhand een kentering op stelt ze vast: 'Voor een bloeiende en veilige stad is een veelzijdige samenstelling van de buurten noodzakelijk. Kinderen vormen een bindend element in de sociale netwerken.'

Maar is de stad ook leuk voor kinderen? Tijdens de conferentie stelde sociaal geografe en medeorganisator Lia Karsten vast dat een deel van de stadskinderen vrijwel nooit meer onbegeleid op straat komt. Ze behoren tot de achterbankgeneratie die door hun ouders van school naar de muziekles en van de muziekles naar het sportveld en vervolgens naar hun vriendjes wordt getransporteerd. Zonder toezicht buitenspelen is er voor hen niet meer bij. Dat in tegenstelling tot de kinderen van buitenlandse komaf die al van jongs af aan de straat tot hun speeldomein maken. Ze gaan bovendien zelfstandig naar de school in de buurt en zijn al vroeg 'street-wise', concludeert Karsten. 'Maar hoe deze kinderen de openbare ruimte gebruiken en ervaren, dat weten we eigenlijk niet.' Het onderwijs en de buurt hebben een belangrijke taak in het betrekken van kinderen bij de inrichting van hun eigen omgeving, zo luidde de conclusie van de conferentie. Incidenteel wordt er aan kinderen gevraagd mee te denken over schoolpleinen en speelterreinen in de buurt, zoals in de binnenstad van Utrecht en in Amsterdam-Noord. 'Maar er moet veel gestructureerder naar kinderen geluisterd worden als het om de inrichting van hun speelomgeving gaat', meent Tom. 'Als kinderen niet mogen meepraten over hun eigen omgeving kunnen ze twee dingen doen: of zich ertegen verzetten en de boel stuk maken of zich er lijdzaam aan overgeven. Maar ze ontwikkelen geen verantwoordelijkheidsgevoel voor hun eigen leefwereld.'

In Engeland wordt geëxperimenteerd met een project, waar kinderen de omgeving rond de school en in de buurt observeren en bekijken welke plekken verbeterd kunnen worden. Ze nemen daar één schooljaar de tijd voor. Gedurende het jaar worden regelmatig brieven en verslagen uitgewisseld en aan het eind van het project leiden de kinderen elkaar rond in elkaars schoolomgeving.

'Scholen zouden zich meer moeten realiseren dat de speelruimte een belangrijk facet van het onderwijs is', benadrukt Irene Tom, 'kinderen leren ook op het schoolplein. Eigenlijk zou het gebruik van de directe omgeving opgenomen moeten worden in het schoolwerkplan.'

Kinderen hebben ruimte nodig, maar ruimte vormt ook de kinderen, is haar conclusie. 'Daarom is de invoering van het eigen-omgevingonderwijs in de aardrijkskundelessen van de basisvorming een belangrijke stap vooruit. Ook al doet het een groot beroep op de docenten die met hun leerlingen de buurt in moeten trekken om onderzoek te doen.'

Vooral meisjes die op hun twaalfde een duidelijk meetbare achterstand hebben op het punt van ruimtelijk inzicht kunnen met deze concrete aanpak hun voordeel doen, meent Tom. De Belgische onderzoekster Ann Verhetsel bevestigt deze opvatting met een onderzoek waarin lessen in de directe schoolomgeving gericht op vier kernbegrippen - perspectief, schaal, oriëntatie en symboolvoorstelling - tot verrassende resultaten leidde: de meisjes hadden in vijf tot tien lessen hun achterstand ingehaald. 'Ruimtelijk inzicht is dus heel goed onderwijsbaar', concludeert onderzoekster Verhetsel.

Irene Tom ziet een grote toekomst voor het eigen-omgevingonderwijs op lokaal niveau. Het kan een rol gaan spelen in buurtprojecten waar kinderen meepraten over de inrichting van hun eigen leefruimte.

'Maar in veel grote steden zie je de merkwaardige ontwikkeling dat kinderen uit verschillende culturen nog wel bij elkaar in de wijk wonen, maar dat de segregatie zich op schoolniveau voltrekt. De witte kinderen gaan naar witte scholen in aangrenzende buurten. De allochtone kinderen blijven in de wijk. Na schooltijd komen ze elkaar ook niet meer tegen, want de achterbank-kinderen gaan naar de naschoolse opvang of worden naar clubs of vriendjes gebracht.'