Onder de rails

Het gebied tussen Rotterdam en Zevenaar is rijk aan oudheidkundige overblijfselen. Het hele tracé van de Betuwelijn zal dan ook door archeologen worden onderzocht. Een proefsleuf dwars door Nederland.

De Nederlandse Spoorwegen en de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) onderzoeken samen de archeologische consequenties van de Betuwelijn. Het karwei is in handen gelegd van drs. B. Goudzwaard, die half-time op het projectbureau Betuwelijn van de NS is gedetacheerd, voor de andere helft bij de ROB.

Voor het archeologisch voorkeurtracé voerde de ROB ten behoeve van de MER-procedure een Standaard Archeologische Inventarisatie uit in een brede, min of meer rechte baan tussen Rotterdam en Zevenaar. Aanvullend onderzoek deed de stichting RAAP (Regionaal Archeologisch Archiverings Project) die gespecialiseerd is in veldverkenning. RAAP nam de gegevens uit het Centraal Archeologisch Archief als uitgangspunt, verkende zo'n 2.600 hectare en verrichtte meer dan 4.000 boringen. Alles bij elkaar leverde de inventarisatie 106 vindplaatsen op. Slechts op enkele locaties bij Hardinxveld-Giessendam gaven grondeigenaren geen toestemming voor het doen van waarnemeningen. De verschillende vindplaatsen kregen waarderingscijfers toegekend tussen 1 en 10 punten. Bij 60 van de 106 vindplaatsen bleek een dergelijke beoordeling niet zinvol, omdat er sprake is van vergaande vernieling, omdat het om losse vondsten gaat of omdat ze net buiten het tracé vallen. Een commissie van de ROB selecteerde tenslotte 23 plekken voor archeologisch onderzoek.

Goudswaard: 'Om de doorgaande routes, via de rivieren is het hele gebied altijd bijzonder in trek geweest en er liggen dan ook prachtige vindplaatsen. Onder de geselecteerde plaatsen zijn dan ook alle perioden vertegenwoordigd, van het Mesolithicum (8.800-4.900 v.Chr.) tot de Late Middeleeuwen. Er zijn alle mogelijke soorten archeologische overblijfselen: grafvelden, nederzettingen, versterkingen, noem maar op. In het westelijke deel van het tracé zijn voor de archeologie de Mesolithische en Neolithische vindplaatsen het meest interessant. Die liggen op donken, Pleistocene rivierduinen op 3 tot 7 meter diepte, die uitstekend geconserveerd zijn. Het gaat hier om vindplaatsen van Europees belang. In het oostelijke deel bij Kesteren en Dodewaard zijn de eveneens goed geconserveerde Bronstijd-nederzettingen waardevol. Daaronder bevinden zich nog eens Neolithische en daarboven Romeinse resten.'

Omdat de bodem de beste bewaarplaats is voor oudheidkundige overblijfselen, staat het veiligstellen van het bodemarchief bij de ROB bovenaan. Eén vindplaats, westelijk van Geldermalsen kan door tracé-wijziging worden beschermd maar voor de overige vindplaatsen staat nog niet vast of dat kan. Door de dichtheid aan bewoningssporen lijkt tracé-wijziging in het oostelijke deel lood om oud ijzer: zou het ene gespaard blijven, dan wordt iets anders geraakt.

Goudswaard: 'Waar verdieping van het tracé noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor tunnels, kunnen vindplaatsen worden doorsneden. Daar moeten we iets voor bedenken en als het niet anders kan: opgraven. Vooral in het westelijke deel is de ondergrond erg slap. In de bestaande plannen komt de lijn daar op een spoordijk te liggen en moet er een enorme massa zand op de ondergrond worden aangebracht. Daardoor ontstaat zetting, bodemklink, waarbij de vindplaatsen in de slappere ondergrond uit elkaar geperst worden. Met behulp van computersimulatie gaan we nu de effecten van klink op de vindplaatsen bestuderen, zodat we kunnen vaststellen welke beschermende maatregelen noodzakelijk zijn. Bij een aantal vindplaatsen is nu al duidelijk dat zulke maatregelen geen zin hebben en dat we dus moeten gaan graven.' Hoewel de noodzaak om delen van het archeologisch bodemarchief op te graven haaks staat op het beleid, dat meer gericht is op behoud, is de aanleg van de Betuwelijn wetenschappelijk gesproken ook een enorme buitenkans. Goudswaard: 'We zijn nu in de gelegenheid om van Rotterdam tot Zevenaar als het ware een proefsleuf dwars door Nederland te graven. Dat is uniek. En naast het onderzoekan de vindplaatsen zelf, kunnen we ze in het rivierengebeid ten opzichte van elkaar bekijken. Ook zullen we de resultaten van onze opgravingen kunnen vergelijken met die van het onderzoek in de jaren zestig bij de aanleg van de A15, waar het voorkeurstracé voor een groot deel vlak naast ligt.'

Zodra de Tweede Kamer een beslissing heeft genomen over de uitvoering van de Betuwe spoorlijn, breekt een nieuwe project-fase aan. Een door Goudswaard gepland 'archeologisch architectenbureau' moet methodes bedenken voor de bescherming van de vindplaatsen, bijvoorbeeld door damwanden eventueel in combinatie met afdekking. Goudswaard:'Het is belangrijk dat we het hele proces van begin tot eind overzien, van opgraving tot en met documentatie, rapportage en presentatie van de resultaten. Ook een tijdschema en het kostenoverzicht horen daarbij.'

Goudswaard coördineert alle deelprojecten en is ook verantwoordelijk voor een goede afstemming met andere werkzaamheden voor de aanleg van de Betuwelijn. Goudswaard: 't mag natuurlijk niet zo zijn dat door het weghalen van een gasleiding een vindplaats kapot wordt gemaakt en dat die leiding dan verderop wordt neergelegd in een terrein dat barstensvol archeologica zit.'

Opgravingscapaciteit

Het zal niet eenvoudig zijn de personele bemanning voor de archeologische deelprojecten rond te krijgen. De totale opgravingscapaciteit schommelt in Nederland naar schatting rond de 40 hectaren per jaar. Dit is normaal gesproken al te weinig om alles wat aan bodem-archief wordt opgeruimd te onderzoeken. De 23 belangrijke vindplaatsen die zich in het tracé van de Betuwelijn bevinden beslaan samen 14,26 hectaren. Gedeeltelijk wordt het capaciteitsprobleem opgevangen door de organisatie die Goudswaard voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft ontworpen, gedeeltelijk door de inschakeling van vrijwilligers, amateur-archeologen, studenten archeologie uit binnen- en buitenland en bedrijven en instellingen in het archeologische veld.

In de nabije toekomst zal het principe 'de veroorzaker betaalt' veel meer van dit soort archeologische operaties teweeg brengen.

Er zit een maar aan dit verhaal: als bij de Betuwelijn gekozen zou worden voor de tunnelvariant, waarbij een 'mol' zich diep door de grond heen graaft, lijkt de archeologie buiten spel komen te staan. De Stichting voor Nederlandse Archeologie heeft eind vorig jaar al een brief aan de minister gestuurd, waarin zij liet weten zich bij een dergelijke uitvoering ernstig zorgen te maken over het archeologisch erfgoed ter plekke.