Land- en tuinbouw gebruiken minder bestrijdingsmiddelen

DEN HAAG, 20 APRIL. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de Nederlandse land- en tuinbouw neemt flink af. In 1993 was het gebruik daarvan met ongeveer veertig procent gedaald ten opzichte van de periode '84 tot '88. Dat blijkt uit een onderzoek van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) in Utrecht en het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) in Den Haag in opdracht van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling.

Tegelijk blijkt uit een interne notitie van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij dat boeren en tuinders steeds meer gewasbeschermers gebruiken die niet tot de Nederlandse markt zijn toegelaten. Het interne rapport van het ministerie meldt dat het gebruik van (nog) niet toegelaten middelen uit het buitenland met dertig procent is toegenomen ten opzichte van 1992, zo is ambtenaren van het departement, de algemene inspectiedienst (AID), de Plantenziektenkundige Dienst en het Informatie- en Kenniscentrum Landbouw gebleken. Daarnaast constateren zij dat nog altijd middelen worden gebruikt die recentelijk verboden zijn. Ook worden wel geregistreerde middelen op de verkeerde wijze toegepast, bijvoorbeeld bij het verkeerde gewas of in een te hoge dosering.

De ambtenaren maken in hun rapport melding van een “afnemend draagvlak voor het beleid om het gebruik terug te dringen.” Veel boeren en tuinders zijn niet overtuigd van de noodzaak een bepaald middel niet te gebruiken. De overmaat aan regels maakt bovendien onduidelijk, wat verboden is en wat niet. Volgens het ministerie is het nodig te werken aan een betere bewustwording onder boeren en tuinders.

Uit het CLM-rapport blijkt dat de daling van het gebruik vooral ten goede is gekomen aan het 'bodemleven' en het grondwater. Het weglekken van bestrijdingsmiddelen naar het oppervlaktewater is echter nauwelijks afgenomen. Dat komt door het toegenomen gebruik van bepaalde insecticiden in de glastuinbouw, zoals het middel dichloorvos, stelt het CLM.

In Nederland gelden strengere en veelal andere toelatingseisen, dan in de meeste andere landen. Gevolg daarvan is dat fabrikanten nieuwe middelen het eerst ter registratie aanbieden in landen met een soepel regime, zeker als daar ook nog sprake is van een grote markt. Zo zijn in België tal van middelen te koop die in Nederland verboden zijn. Van een duidelijk Europees beleid is geen sprake. Veel agrariërs ervaren dat als valse concurrentie. Volgens B.L. Hoppenbrouwer van de achttien leden tellende Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie (Nefyto) zal dat Europese beleid ook nog jaren op zich laten wachten, omdat registraties verband houden met soorten gewassen en soorten bodems waarop ze gebruikt moeten worden. Die verschillen in alle lidstaten.

In hun interne nota noemen de ambtenaren van landbouw het voorbeeld van het preparaat Nemacur. Dit is in Nederland niet toegestaan omdat het te veel van het giftige fenamifos bevat. Een kwart van de rozentelers gebruikt echter toch Nemacur om ongedierte in de bodem te doden. Een strenge controle heeft weinig zin, zo wordt geconcludeerd. In Spanje is het middel namelijk gewoon te koop, tegen een aantrekkelijke prijs. Daar komt bij dat de contacten tussen kwekers in Europees verband geweldig intensief zijn, meent Hoppenbrouwer. En dus is het 'verkeer' van gewasbeschermingsmiddelen binnen de EU nauwelijks te beteugelen.

Ook de problemen rondom de Commissie Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) hebben veel ergernis gewekt in de land- en tuinbouw. Door een uiterst bureaucratisch werkwijze van de CTB werden in het verleden nieuwe en minder schadelijke middelen toch niet toegelaten, zodat deze niet op de markt mochten verschijnen. Pas na veel vijven en zessen slaagde het vorige kabinet er twee jaar geleden in de CTB tot een snellere werkwijze te dwingen. Volgens Hoopenbrouwer wordt nu wel sneller gewerkt en ligt de commissie aardig op schema, al is er nog een achterstand, maar is er nog achterstand.

De markt van de gewasbeschermingsmiddelen staat intussen onder zware druk. Was in 1970 nog negentig procent van alle produktie in handen van vijfentwintig multinationals, in 1990 was dat aantal teruggelopen tot dertien en sindsdien zijn de ontwikkelingen nauwelijks meer te volgen.