'In Ierland is het redden van venen stukken goedkoper'

De Nederlander Matthijs Schouten geldt als de redder van de Ierse venen. Hij is sinds kort bijzonder hoogleraar natuurbescherming aan de universiteit van Cork.

Clara heet de plaats, een wat morsig stadje van 4.000 zielen in Midden-Ierland. Twee kerken (Rooms Katholiek en Church of Ireland), een handvol pubs en de silo van een meelfabriek, ooit gesticht door de Quaker-familie Goodbody. Maar die industrie is al geruime tijd ter ziele met als gevolg een hoge werkloosheid, die duidelijk haar stempel op Clara drukt.

Maar misschien kan het stadje zich herstellen, want vlakbij ligt Clara Bog, een nog ongerept stuk hoogveen van 800 hectare, dat de potentie heeft tot zoiets als een toeristentrekker uit te groeien. Minder indrukwekkend dan de Cliffs of Moher aan de westkust of het befaamde karstlandschap de Burren, maar voor de liefhebber boeiend genoeg om er een paar uur rond te lopen.

Dit wenkend perspectief is onderwerp van gesprek ten huize van Patrick Dalton, een van de twee bewoners die gasten onderdak bieden volgens de 'bed and breakfast'-formule. Hij signaleert al een zekere groei van het aantal bezoekers, vooral fietsers van het continent, maar de aanwas is nog te gering om te juichen. Die neiging krijgt hij wel onder het gloedvolle betoog van de Nederlander Matthijs Schouten, die Clara een florissante toekomst voorspelt als haar mogelijkheden worden benut. Er zou allereerst een bezoekerscentrum moeten komen, niet op het veen maar in het stadje, en Schouten zegt namens de Stichting tot Behoud van de Ierse Venen, waarvan hij voorzitter is, alvast duizend Ierse ponden (een kleine 3.000 gulden) toe om de zaak grondig in studie te nemen.

Hij heet hier gewoon Matthijs: prof.dr. M.G.C. Schouten, 42-jarige vegetatiekundige, in 1992 begiftigd met een eredoctoraat van de National University of Ireland en sinds september vorig jaar bijzonder hoogleraar natuurbescherming aan de universiteit van Cork in het zuiden van de republiek. Kort geleden volgde bovendien zijn benoeming in dezelfde functie te Galway aan de westkust. Dat alles omdat hij zich jarenlang het vuur uit de sloffen liep om de schaarse restanten aan levend, ongestoord hoogveen die Ierland bezit, van de ondergang te redden. Daarnaast werkt hij als hydro-ecoloog bij Staatsbosbeheer in Driebergen, een baan die verreweg het grootste deel van zijn tijd vergt. Per jaar verblijft hij gedurende twee maanden (februari en maart) in Ierland, maar dat zullen er straks door zijn aanstelling in Galway ongetwijfeld meer worden.

Een boom van een man met kalende schedel en voorzien van een krachtig stemgeluid, dat tot een Ierse verbastering van zijn achternaam - Shouter - aanleiding gaf. (“Maar het voordeel is wel dat ik bij de colleges geen microfoon nodig heb.”) Natuurbeschermer in hart en ziel, speciaal verknocht aan het type landschap waar hij zijn meeste energie in stak: het originele hoogveenmoeras, dat weliswaar zijn kwade reuk van onherbergzaam oord verloor, maar nog altijd gevaren inhoudt. Daarvan kan onze vorige ambassadeur in Dublin, E. Niehe, getuigen na een bezoek, enkele jaren geleden, aan Clara Bog. De twee meter lange diplomaat zakte onverhoeds tot zijn middel weg en moest door omstanders worden opgehesen.

Schoutens betrokkenheid bij dergelijke terreinen valt wellicht uit zijn afkomst te verklaren: “Ik ben geboren in Swartbroek, een tot Weert behorend kerkdorp aan de rand van de Peel, waar het hoogveen in mijn jeugd al grotendeels ontgonnen was. Maar ik hoorde er verhalen over van mijn vader, die boer en paardenfokker was, en zo werd waarschijnlijk de kiem gelegd voor mijn latere fascinatie.”

Na de middelbare school in Weert studeerde hij biologie in Nijmegen, waar de vermaarde botanicus prof. V. Westhoff een van zijn leermeesters was. Een onderzoek naar duinvegetatie (1974) bracht Schouten voor het eerst in Ierland, dat hem inspireerde tot een nevenstudie Keltische talen aan de Universiteit van Amsterdam: “Mijn andere hartstocht.”

De echte Ierse connectie begon in 1977, toen Schouten overvloog voor een promotie-onderzoek naar hoogveenbegroeiing in samenhang met klimatologische invloeden. “Ierland”, zegt hij, “lag voor de hand, omdat het me onweerstaanbaar trok en omdat er nog relatief veel ongestoord hoogveen voorradig moest zijn, veel meer dan in Nederland. Wat me voor ogen stond, was een dwarsdoorsnede van het eiland, van oost naar west. Om te kunnen voortbestaan, is hoogveen geheel afhankelijk van neerslag en omdat aan de westkant veruit de meeste regen valt, dacht ik juist daar de bloeiende restanten, compleet met karakteristieke planten als zonnedauw en vetblad, te vinden.”

Bord na Mona

Maar dat viel bitter tegen. Schouten ontdekte hoeveel terrein ook het Ierse hoogveen had moeten prijsgeven. Ooit was ruim zestien procent van het land met deze grondsoort bedekt, nu nog maar één procent. Vooral sinds de nationale verveningsmaatschappij Bord na Mona op uitgebreide schaal turf was gaan winnen, had het proces van degradatie kunnen voortwoekeren. Wat overbleef, was weliswaar meer dan een schim van de oorspronkelijke toestand (zoals in Nederland het Bargerveen bij Emmen), maar onvoldoende om van een gaaf ecosysteem te spreken.

De ontginning gaat nog altijd door. Acht Ierse elektriciteitscentrales draaien op turf, terwijl de bruine brok ook als huishoudelijke brandstof in kachels en fornuizen grote populariteit geniet. Naast Bord na Mona zijn er bovendien talrijke particuliere turfstekers, die gebruik maken van het aloude turbary-right (turfsteekrecht) om in hun behoefte aan warmte te voorzien.

Ook ontwatering, bebossing en erosie dragen bij aan de achteruitgang, indirect bevorderd door de Europese Unie. Schouten: “Nog altijd wordt de Ierse schapenhouderij vanuit Brussel gesubsidieerd, terwijl diezelfde dieren op de hellingen in West-Ierland het kostbare spreihoogveen loswoelen, zo genoemd omdat het als een sprei op de velden ligt. Bij zware regenval spoelt de massa in de rivier en brengt daar ook nog eens schade toe aan de zalmstand. Zalmen hebben om te paaien een steenachtige bodem nodig, maar die verdwijnt onder de zachte veengrond, zodat de eitjes wegrotten.”

Begin jaren tachtig had Schouten zijn veldonderzoek praktisch voltooid, maar zonder tot een doctorale verhandeling op schrift te komen. Het lot van de Ierse venen had hem zozeer gegrepen, dat hij zijn wetenschappelijk werk tijdelijk losliet om zich voor behoud van de resterende bogs in te zetten. Schoutens achterliggende filosofie: “Nederland besteedt tientallen miljoenen om een enkele snipper hoogveen te restaureren en veilig te stellen, terwijl in Ierland het vergraven van ongerepte delen lustig doorgaat. De dwaasheid ten top.”

Hij besprak zijn zorgen met Ierse en Nederlandse natuurbeschermers en trok zelfs naar Brussel om het Europese Parlement aan zijn kant te krijgen. Dat lukte via het Nederlandse lid Hemmo Muntingh: per resolutie kreeg Ierland het verzoek nog levend hoogveen voortaan te sparen en de andere lid-staten werd gevraagd de republiek daarin te steunen. De Ierse regering ging akkoord, maar stelde wel een voorwaarde: die steun mocht niet verbaal blijven, de partners zouden ook financieel moeten bijspringen.

Daarop begon voor Schouten een nieuwe fase in de campagne. Op zijn initiatief werd de Stichting tot Behoud van de Ierse Venen opgericht met als eerste doel middelen te verwerven tot aankoop van vier intact gebleven stukken lenshoogveen (zo genoemd, omdat ze een gewelfd oppervlak hebben). De actie werd een succes; binnen enkele jaren was er, mede dankzij het Wereldnatuurfonds, voldoende geld (350.000 gulden) binnen om de percelen van Ierse particulieren over te nemen en vervolgens in eigendom over te dragen aan de Ierse regering. Dat gebeurde in 1987 op een congres in kasteel Groeneveld te Baarn, waarvoor de stichting een stel belangrijke Ieren, onder wie staatssecretaris Noel Treacy van natuurbeheer, had laten overkomen.

Schouten: “We zijn toen met z'n allen daar achter Emmen wezen kijken, waar de regeneratie van het Bargerveen al dertig miljoen gulden had gekost. Inmiddels heeft de Nederlandse regering zo'n 150 miljoen aan dit soort projecten besteed, de prijs die je betaalt als je te laat gaat nadenken. In Ierland kan het stukken goedkoper. Dat is de les die de Ieren uit onze fouten kunnen trekken.

''

Natuurreservaat

En dat gebeurt volgens hem. “De Ierse overheidsinstantie voor natuurbeheer, de Wildlife Service, heeft zich ten doel gesteld 50.000 hectare hoogveen tot natuurreservaat te bestempelen. Van dat areaal heeft ze tot nu toe ruim de helft in bezit en de rest moet de komende jaren volgen. Ook de Europese Unie betaalt sinds een aantal jaren mee, wat een merkwaardige paradox inhoudt. Enerzijds via die schapensubsidie het spreihoogveen laten loswoelen en wegspoelen en anderzijds het behoud van lenshoogveen stimuleren. Vroeger subsidieerde Brussel ook drainage van venen voor de landbouw, maar dat is gelukkig voorbij.”

Op het Baarnse congres werd bovendien besloten tot een hechte, Nederlands-Ierse samenwerking bij de bescherming van restanten hoogveen, een overeenkomst die in 1992 werd bekrachtigd, toen staatssecretaris Gabor van natuurbeheer een bezoek aan Ierland bracht. Hiervoor zijn twee gebieden uitgekozen: Clara Bog en Raheenmore. Dat laatste terrein is aan de randen aangetast door particuliere turfstekers, wat een ernstige verstoring van de waterhuishouding tot gevolg had. Mensen van Staatsbosbeheer, gespecialiseerd in hydrologie, werken nu mee aan herstel. Omgekeerd staan Ierse deskundigen ter beschikking om Nederland in bijvoorbeeld het Bargerveen en Fochteloërveen van advies te dienen.

Kort daarvoor had Schouten het Ierse eredoctoraat gekregen, in 1994 gevolgd door zijn benoeming tot hoogleraar in Cork. Hij doceert er natuurbescherming aan studenten van diverse jaargangen. Vierdejaars worden meegenomen op een uitgebreid veldpracticum in de Burren: “Een paradijs voor botanici.” Waar dit professoraat al even in de lucht hing, kwam zijn jongste benoeming, tot hoogleraar in Galway, als een complete verrassing. Schouten: “Opeens lag er een fax bij Staatsbosbsheer: The Senat has dicided to oppoint you professor nature conservation at the university college Galway. Zomaar, uit het blauwe.”

Hij koestert nu plannen om natuurbescherming in Ierland tot een zelfstandige studie te verheffen en onderhandelt daarover met collega-biologen van beide instituten. “Bovendien”, zegt hij, “wil ik er een Nederlandse universiteit bij betrekken, vooral om Ierse studenten naar Nederland te halen, zodat ze kunnen zien wat je in Ierland kunt voorkomen. In Nederland is al zoveel verloren gegaan, terwijl Ierland nog een rijkdom aan onbedorven natuur bezit. Intacte beek- en riviersystemen, schone voedselarme meren, hoogveen natuurlijk, een belangwekkend kustgebied, maar ook een groot oppervlak aan halfnatuurlijke agrarische terreinen met bloemrijke graslanden, hagen en houtwallen. In Nederland moeten we het geschonden landschap herstellen, restaureren, ik wil voorkomen dat ze in Ierland dezelfde weg opgaan.”

Humor

Hij voelt zich langzamerhand meer thuis in Ierland dan in Nederland: “Hier kan ik nog aan een beek zitten en een otter voorbij zien zwemmen.” Zijn lyriek behelst ook de bevolking: “Het is hier allemaal minder formeel dan bij ons, ook op de universiteit. Minder hiërarchisch en bureaucratisch. En ik waardeer de ongelooflijke humor van de Ieren. Die maakt het leven lichtvoetiger.”

Een autorit voert ons van Dublin naar Raheenmore in het hart van de republiek, waar de lichtvoetigheid overgaat in een zware tred: kaplaarzen zijn onmisbaar om het bruine, glooiende veld te betreden. Ook dit veenreservaat is straks, als het hydrologische herstelwerk voltooid is, toegankelijk voor publiek, maar de vraag rijst of normaal schoeisel zich leent voor een bezoek. Volgens Schouten hoeft men wat dat betreft niets te vrezen: “Op diverse plekken komen er knuppelwegen, zodat de bezoeker droge voeten houdt en toch een indruk kan krijgen van het veen.”

Clara Bog, wat verderop, heeft al iets dergelijks in de vorm van de famine-road, een paar honderd meter lange grindweg, die tijdens de grote hongersnood van 1845-47 werd aangelegd als werkverschaffingsproject. Later is het pad overwoekerd met gras, dat echter een veilige wandeling allerminst belemmert.

Het zijn deze faciliteiten die Schouten aanbeveelt in zijn gedreven gesprek met Patrick (bed & breakfast) Dalton in Clara. En deze niet alleen: “Jullie hebben de toerist nog zoveel meer te bieden. Een snel stromend riviertje, keileemafzettingen uit de ijstijd, fraaie graslanden met perceeltjes bos, ook archeologische monumenten en een paar middeleeuwse kerkjes in de buurt. Die mogelijkheden mogen toch niet onbenut blijven?” En Dalton wordt meegesleept, zeker als Schouten die duizend Ierse ponden aanbiedt. Dat gebeurt onder een bordje met de tekst: “Our lady of Fatima bless our home”, dus wat kan er nog misgaan?