Hoe dicht is het CO-venster

De Ingenieur. 14-daags magazine voor techniek en management. Postbus 30424. 2500 GK Den Haag. Jaarabonnement ƒ273,-.

Nog steeds slaagt emeritus-hoogleraar dr. C.J.F. Böttcher erin de broeikasgelederen in beweging te houden. Bijna een jaar geleden kreeg hij in het vakblad De Ingenieur een artikel gepubliceerd waarin hij, in de marge van een lofzang op het kolenstoken, wist te melden dat het effect van kooldioxyde op het broeikaseffect schromelijk wordt overdreven.

Deze maand wordt hij in hetzelfde tijdschrift van repli gediend door prof.dr.ir. P. Vellinga, gesecondeerd door twee onderzoekers van het KNMI.

Vellinga is directeur van het instituut voor milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit en bestuurslid van het IPCC, de onder VN-vlag opererende internationale review-groep die sinds 1988 wetenschappelijke publikaties op broeikasgebied op hun waarde toetst.

Böttcher, fysisch-chemicus en een van de oprichters van de Club van Rome, voert al jarenlang een verbeten strijd tegen de politieke drukte die er van het broeikaseffect wordt gemaakt, de onzin die in de discussie tussen amateurs naar voren komt en de maatregelen die in het wereldklimaatverdrag (het Rio-verdrag) zijn afgesproken. In het najaar van 1992 bracht hij een brochure uit waarin hij al zijn - vaak zeer persoonlijke - bezwaren nog eens helder samenvatte in 34 conclusies, stellingen en aanbevelingen.

Böttcher's uitspraken keren zich dan weer tegen het IPCC, dan weer tegen de Brundtland-commissie ('Our common future'), het Rio-verdrag, milieugroeperingen of politici-in-het-algemeen en bevatten zoveel vanzelfsprekendheden en 'open deuren' dat men er vele van kan onderschrijven.

Wetenschappelijk gezien was in de brochure van 1992 de notitie interessant dat een kersverse Noorse studie had aangetoond dat de analyse van luchtinsluitsels in het landijs van Groenland en Antarctica geen betrouwbaar beeld kan geven van de samenstelling van de aardatmosfeer in het verleden. Opmerkelijk was verder Böttcher's stelling nummer vier: de enorme invloed van waterdamp als het voornaamste broeikasgas wordt gewoonlijk genegeerd of onderschat.

In Science van 12 februari 1993 werd de conclusie van de Noorse studie al weerlegd, maar niettemin herhaalt Böttcher haar in april van dat jaar in het Nederlandse vakbl'Change' (van het Nationaal Onderzoekprogramma Mondiale Luchtverontreiniging). Terloops promoveert hij de resultaten van het (volgens hem dus twijfelachtige) ijskern-onderzoek tot een van de hoekstenen van de huidig 'global warming' hypothese. (Dat is teveel eer. Analyse van de ijskernen maakt aannemelijk dat perioden met een hoge CO-spanning samenvielen met een hoge temperatuur, maar over oorzaak en gevolg doet de serieuze literatuur ge uitspraak.) Dat waterdamp als broeikasgas genegeerd zou zijn was zo evident onjuist, dat Böttcher er maar niet verder op terug komt.

In zijn artikel 'Klimaatwijziging en de CO-mythe' in De Ingenieur van 7 juni 1994 laat Böttcher ook de ijskernen vallen, maar voert hij een nieuw wetenschappelijk bezwaar op tegen de vrees voor het gebuik van fossiele brandstoffen. Er zou al zoveel CO in de atmosfeer aanwezig zijn dat van een extra hoeveelheid CO nauwelijks een versterking van het natuurlijke broeikaseffect was te verwachten. Populair gezegd: het CO-venster in het infrarood zat al bijna dicht. “Aan dit feit is bij het voorlichten van de politici en de media nauwelijks aandacht besteed. Derhalve is niet over het voetlicht gekomen dat een toename van de CO-concentratie nog maar weinig toename van het broeikaseffect (hoe men het ook definieert) teweeg kan brengen, in tegenstelling tot andere broeikasgassen zoals CH, NO, O en de cfk's.”

Wie er het eerste wetenschappelijke rapport (1990) van het IPCC bij neemt, stelt vast dat deze stelling al net zo apert onwaar is als die over waterdamp. In het hoofdstuk over 'radiative forcing' wordt er juist in expliciete termen op gewezen dat de absorbtiespectra van sommige natuurlijke broeikasgassen (met waterdamp als eerste) elkaar overlappen en dat de bestaande concentraties vaak al zo hoog zijn dat een concentratieverhoging van zo'n gas verhoudingsgewijs een veel kleiner effect heeft dan de komst van een geheel nieuw broeikasgas van het soort cfk's of halonen.

In de laatste actualisering van het IPCC-rapport (1994) wordt de misvatting rond de (vermeend) verzadigde absorbtiebanden van kooldioxyde in een aparte paragraaf behandeld. Everdubbeling van de huidige CO-concentratie zal het aan CO toe te schrijven broeikaseffect met 10 à 20 procent doen toenemen, is de conclusie. Rekening houdend met de bestaande concentraties, de omvang van de huidige emissies en de verblijftijden in de atmosfeer (en afgezien van waterdamp, waarvan de concentratie niet is te beïnvloeden) zijn de voornaamste broeikasgassen achtereenvolgens kooldioxyde, methaan, cfk-12 en verder indirect NOx en lachgas (door de bijdrage aan de vorming van troposferisch ozon).

Vellinga brengt Böttcher's opmerking over het CO-venster 'beleefd' terug tot een misverstand. Wie er de andere argumenten van Böttcher naast legt zou eerder spreken van een opzettelijke poging om verwarring te stichten, een poging die kennelijk hier en daar succes heeft, gezien de reacties die hij oproept (ook in deze krant). Van lieverlee dringt zich de vraag op wie to belang bij deze verwarring zou kunnen hebben.

In De Ingenieur verder nog aandacht voor aardwarmtewinning, warmtekrachtkoppeling, een pleidooi voor kernenergie, de innovatiecentra en een interview met Frits Philips die net negentig is geworden. En - los van Böttcher - een interessantie notitie over de betekenis van bos voor het broeikaseffect. Jong bos neemt (netto) meer kooldioxyde op dan oud bos, dus is het maar het beste alle bestaande bossen in jge bossen te veranderen. Oftewel: wat is nou eigenlijk het bezwaar tegen de kap van het tropisch regenwoud? Tja.