ETA ziet Aznars partij als bedreiging Baskenland

MADRID, 20 APRIL. De ETA, de beweging die in Spanje strijdt voor een zelfstandig Baskenland, heeft gisteren opnieuw zijn visitekaartje afgegeven. Bij de aanslag met een autobom aan een noordelijke uitvalsweg van Madrid - in een drukke buurt met veel cafés, naast een metro-uitgang en een ziekenhuis - raakten negentien mensen gewond, van wie twee zwaar. Het beoogde doelwit van de aanslag, de conservatieve oppositieleider José Maria Aznar, had meer geluk. Zijn dienstauto werd weliswaar een flink eind weggeslingerd, maar de gepantserde carroserie hield het rondvliegend schroot tegen. Aznar kwam met de schrik en een paar schrammen aan zijn hoofd vrij, maar bleef gisteren de rest van de dag in een ziekenhuis ter observatie.

De leider van de Partido Popular (PP), die een dag eerder nog de relatief autonome status van Spaans Baskenland had gekritiseerd, maakt grote kans om na de volgende landelijke verkiezingen premier te worden. Hoewel volgens de laatste opiniepeilingen zijn partij niet over een absolute meerderheid beschikt, ligt zij ruim voor op de socialistische PSOE van de huidige premier, Felipe González. Wanneer eind mei gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden, zal de PP de door schandalen geteisterde PSOE naar verwachting een zware nederlaag toebrengen.

Het is voor het eerst sinds 1973 dat de ETA een moordaanslag pleegt op een politicus van Aznars kaliber. Slachtoffer was destijds admiraal Luis Carrero Blanco, minister-president en beoogd opvolger van het toenmalige staatshoofd, generaal Franco. Carrero Blanco's auto werd over een huizenblok geslingerd toen een reusachtige springlading onder het wegdek tot ontploffing werd gebracht. In de 26 jaar van de “gewapende strijd” zijn het evenwel vooral willekeurige militairen, politie-agenten en toevallige voorbijgangers die op de lijst met ruim 800 slachtoffers voorkomen.

De ETA werd in 1992 een zware klap toegebracht met de arrestatie van de top van de terreurorganisatie in Frankrijk. Sindsdien heeft de Spaanse politie in samenwerking met haar Franse collega's een groot aantal succesvolle acties tegen de Baskische separatisten ondernomen. Maar de ETA leeft nog steeds. De aanhang is wellicht kleiner, maar niet minder fanatiek. De buitenwacht vraagt zich daarbij vertwijfeld af of de strategie van de ETA wellicht is veranderd. De laatste maanden lieten verschillende anonieme woordvoerders van de beweging weten dat ook politici en journalisten op de dodenlijsten voorkomen.

De ETA laat het zelden bij dreigementen alleen. Zo bleek bij het oprollen van een terreurcommando's eind vorig jaar in Baskenland dat de nationalistische politicus Juan María Atutxa door geluk en goede bewaking een paar keer juist aan de dood was ontsnapt. Atutxa, minister van binnenlandse zaken in de regering van de autonome Baskische deelstaat, geldt als een van de aartsvijanden van de ETA.

Minder geluk had Gregorio Ordóñez, de kansrijke PP-kandidaat voor het burgermeesterschap van de Baskische stad San Sebastián. Een ETA-commando schoot hem in januari van dit jaar door het hoofd terwijl hij met vrienden in een restaurant aan het eten was.

Afgezien van de algemene afschuw van de moord op Ordóñez (36) was de aktie ook in eigen kring aanleiding tot ruzie. Een aantal lokale leden van de politieke tak van de ETA, Herri Batasuna, doorbrak de gebruikelijke kadaverdiscipline om zich openlijk van de moord te distantiëren. En een ETA-oprichter van het eerste uur brak openlijk met de organsatie.

Nu is de geschiedenis van de ETA rijk aan intern gekrakeel, compleet met afsplitsingen, intimidatie en onderlinge liquidaties. De indruk bestaat evenwel dat de organisatie steeds wanhopiger een beroep doet op leden van haar jeugdorgansatie Jarrai om de vrijgevallen plaatsen in de terreurcommando's aan te vullen. Daarbij kampt de ETA met een gestaag verlies aan achterban. De gezwollen bevrijdingsretoriek blijkt veel van zijn aantrekkingskracht te hebben verloren, nu Baskenland al jaren zijn eigen deelregering kent met een grote mate van zelfstandigheid. Alleen door een verdere radicalisering kan de ETA zich op het Baskische politieke toneel onderscheiden. Een van de gevolgen is dat de beweging meer op een gesloten, dictatoriaal geleide sekte begint te lijken.

De schandalen rond de GAL, de schimmige doodseskaders binnen het Spaanse politie-apparaat die in de jaren tachtig 26 vermeende ETA-aanhangers vermoordden, lijken voor de Baskische separatisten een verdere aanleiding om de acties te verscherpen. Tot de GAL-slachtoffers behoren twee ETA-sympathisanten die in 1983 werden ontvoerd en vermoord en wier stoffelijke resten pas recent werden geïdentificeerd. Hoewel het onderzoek nog loopt, hebben verschillende Baskische kranten reeds de Spaanse staatspolitie, de Guardia Civil, van betrokkenheid bij de moorden beschuldigd.

Politiek gezien is de verijdelde moord op Aznar een vervelend probleem voor de PNV, de nationalistische partij op christen-democratische grondslag die al jaren de lakens uitdeelt in Baskenland. In tijden van verkiezingen, zoals nu het geval is, scherpt de PNV zijn nationalistische boodschap aan met felle aanvallen op het landsbestuur in Madrid. Politieke tegenstanders menen dat de partij daarmee bijdraagt tot de gewelddadige sfeer waarin de ETA kan opereren.

De president van de PNV, Xavier Arzalluz, riep afgelopen zondag op een bijeenkomst van zijn partij dat de huidige commandant van de Guardia Civil in Baskenland moest terugtreden in verband met de GAL-moorden. Veel PNV-aanhangers maken er geen geheim van dat ze Spanjes nationale politiekorps het liefst zo snel mogelijk uit Baskenland zien vertrekken.

Oppositieleider Aznar verdedigde afgelopen dinsdag evenwel de aanwezigheid van de Guardia Civil in Baskenland en noemde de aantijgingen van nationalistische zijde als een “treurige campagne”. Aznar zei ook dat er opnieuw een debat moet komen over de mate van onafhankelijkheid van de zeventien autonome regio's. “Iemand moet zeggen tot waar de grenzen gaan van de autonomie.” Daarmee bracht Aznar de vrees onder woorden dat Spanje langzaam maar zeker uit elkaar begint te vallen in een onbestuurbaar geheel. Velen menen dat de onafhankelijkheid van de regio's, Baskenland en Catalonië voorop, inmiddels ver genoeg gaat.

Dat laatste is evenwel vooral tegen het zere been van een nationalistische beweging als de ETA. Daar wordt de PP dan ook afgeschilderd als de natuurlijke erfopvolger van Franco's gedachtengoed, waaronder zijn centralisme en afkeer van lokaal onafhankelijkheidsstreven. Zeker met het electorale succes in het vooruitzicht blijft de PP dan ook een prominent doelwit van de terreurorganisatie.

Opmerkelijk blijft de parlementaire positie van Herri Batasuna, de politieke tak van de ETA. Alle politieke partijen, de kerk, de koning, vakbonden en werkgevers veroordeelden gisteren in de felste bewoordingen de aanslag. Zoals gebruikelijk na een terreuraanslag van de ETA weigerde Herri Batasuna daaraan mee te doen. De PP draagt zelf “een enorme verantwoordelijkheid” voor de aanslag, aldus woordvoerder Jon Idigoras. Een communiqué van de partij liet gisteren weten dat de ETA met aanslagen “democratische kanalen kan openen voor de overleving van het Baskische volk”. Met die boodschap zal de rest van democratisch Spanje het vooralsnog moeten doen.

Bovendien was het SNV-voorzitterschap geen full time-baan, zodat hij net als in de periode '66-'70 werk te kort kwam om zijn dagen te vullen. Minister drs. J. de Koning (1977-1981) kwam de prins tegemoet door een speciale functie voor hem op het ministerie voor ontwikkelingssamenwerking te creëren: bijzonder adviseur van de minister. Ook hierover was enige aarzeling in de Tweede Kamer. Maar De Koning zette door, en Claus kwam in een teruggetrokken positie die uitstekend bij de omstandigheden van dat moment paste: drie jaar later zou Beatrix haar moeder opvolgen. ""Ik herinner me'', zegt De Koning, ""dat Claus als "ADOS' door het leven ging. Waar dat voor stond weet ik niet meer, maar zonder afkorting ben je niemand op zo'n departement.''