DE KAART WAAR ALLES OP STAAT

Weinig verslavingen zijn zo hevig als de passie voor landkaarten van wat voor soort, leeftijd, kleur of maat dan ook. Mijn loodzware Times Atlas of the World zou ik eigenlijk op iedere reis mee willen slepen, en in elke collegezaal gaat mijn oog het eerste uit naar de wandkaarten naast het bord, ook al heb ik ze reeds talloze malen bestudeerd. Als ik het weerbericht lees, zie ik vooral de contouren van Europa en de elegante curves van hoge en lage drukgebieden met hun voorspelbare indeukingen ter hoogte van Schotland. Zelfs de vertrouwde kaart van Nederland met zijn typische pseudo-symmetrie van de Zeeuwse en de Waddeneilanden blijft boeien, omdat ik altijd wel iets verrassends ontdek in de verhoudingen. Het zijn niet zozeer esthetische overwegingen die daarbij de hoofdrol spelen, hoewel de keuze van kleuren en lettertypen van sommige kaarten een diep gevoel van bevrediging kunnen geven. Wat kaarten onophoudelijk boeiend maakt is dat ze én inzicht bieden in de werkelijkheid én de fantasie op hol brengen.

De structuur van een stad dringt pas echt tot je door als je er een plattegrond van hebt gezien. Veel automobilisten kunnen pas ergens de weg vinden als ze een blik op de kaart hebben mogen werpen. Zo wordt de wereld letterlijk in kaart gebracht: het visuele kaartbeeld ondersteunt de eerdere waarneming. Maar tegelijkertijd is er niets zo verleidelijk als een kaart van een onbekend gebied met prikkelende namen zoals Witwatersrand, Ngong Shuen Chau (Eiland van de Steenhakkers) of Salinas Grandes (Grote Zoutvlaktes). Zelfs een blinde, namenloze kaart met uitsluitend hoogtelijnen werkt al stimulerend: de kaart voorspelt de toekomstige waarneming. Hermine de Graaf gaf die volgorde ooit haarscherp aan in de titel van een van haar verhalenbundels: Een kaart, niet het gebied. En het is geen toeval dat de kaart al lang een bekend topos is in de Westerse literatuur.

Kaarten stimuleren het denken natuurlijk omdat ze altijd selectief zijn: zij geven rivieren, wegen of steden weer, of een combinatie daarvan, maar altijd ontbreekt er iets. Je hebt vegetatie- en bodemkaarten, en kaarten van bevolkingsdichtheden, of historische kaarten. Je kunt het zo gek niet bedenken of er bestaat een kaart van: Amsterdamse antiquariaten, grondwaterstanden, oliepijpleidingen...

Langzamerhand zijn kaarten uitgegroeid tot meer dan geografische orientatiepunten, het zijn thematische verzamelingen geworden, een ruimtelijke weergave van de verdeling van bepaalde eigenschappen van het land, of dat nu de NO uitstoot is of het aantal orchideeën. Een kaart werkt net als een repoussoir dat je gebruikt om een detail uit een schilderij te lichten. Of om preciezer te zijn: als een negatief repoussoir, want de kaart zelf is de uitsnede uit de werkelijkheid (en niet het kader of de achtergrond). Dankzij een kaart zie je plotseling wat je anders niet zag: dat de landmassa op het zuidelijk halfrond zoveel kleiner is dan op het noordelijke, dat de regenvalzones in West-Afrika bijna parallel met de breedtegraden lopen.

Want van alle verslavingen is die van de kartofilie daarom zo hevig, omdat ze de fantasie voedt. Dat is al zo bij alledaagse geografische kaarten, maar nog veel meer bij de kartografie van de verbeelding.

Wie heeft er nooit in gedachten een geheime kaart ontworpen van bijzondere plaatsen die alleen voor hem of haar betekenis hebben? Een kaart van alle huizen waarin men ooit verbleef, van eilanden eens bezocht, of een kaart van alle vindplaatsen van zelfgevonden bergkristal. Soms zijn er ook mentale kaarten zonder dat de maker zich werkelijk bewust is van hun ontwerp. Veel mensen fietsen liever langs de ene dan langs de andere weg, omdat ze die veiliger of aangenamer vinden, vermijden bepaalde zones en zoeken andere juist op. Ook binnenshuis bestaat een onuitgetekende kaart, die pijnlijk duidelijk wordt op het moment dat een bezoeker een stoel of een vaas enkele centimeters heeft verschoven. Een mens kan zich heel goed trainen in het maken en gebruiken van kaarten. Want een kaart is ook een handig hulpmiddel voor het structureren van een artikel en zelfs voor het voeren van een debat. Elk betoog heeft iets van de wandeling door een gebied van ideeen, waarvan een selectie in de juiste volgorde achter elkaar geplaatst moeten worden, met vermijding van de Poel van de Drabbige Definities, de verleiding van Fraaie Vergezichten en de Afgrond van de Abstracties. Door haar selectiviteit dwingt een kaart bij het schrijven tot een debat over aannames. Een kaart is dan niet zo maar een blokkenschema, maar geeft de - kronkelige - weg aan waarlangs de conclusie moet worden bereikt. Voor dat soort oefeningen werkt ons brein als een heel bijzonder kartografisch systeem.

Dankzij de moderne informatietechnologie beschikken we over zogenaamde geografische informatiesystemen (afgekort GIS, waarmee het werkwoord gissen een onvermoede dimensie heeft gekregen). In een GIS sla je ruimtelijke informatie op en de computer kan die naar believen in allerlei kaarten op verschillende schalen weergeven. Zo kunnen niet alleen voor elk doel nieuwe kaarten worden samengesteld, maar kan ook gerekend worden aan relaties tussen ruimtelijke eigenschappen. Een GIS is dus veel meer dan een digitale kaartenbak (in de dubbele betekenis), het is een krachtig instrument voor de verwerking, analyse, opslag en weergave van gegevens. Bestaande kaarten of luchtfoto's kunnen worden gescand, twee- en driedimensionaal digitaal worden opgeslagen, en zo gekoppeld worden aan later gemeten terreinattributen.

Veranderingen in de tijd kunnen in kaartenseries worden gevangen. Weg dus met kaarten die al verouderd zijn voordat ze zijn gedrukt, weg met de eindeloze uren menskracht die nodig zijn voor het tekenen! In een typisch geval van door de technologie aangedreven innovatie lijken GIS-en ook te leiden tot onvermoede toepassingen in wetenschapsvelden die van oudsher niet bepaald ruimtelijk waren ingesteld, zoals de economische en sociale wetenschappen.

Doordat in de databestanden van een GIS ook allerlei semi-kwantitatieve informatie van zeer ongelijksoortige aard kan worden opgeslagen, ontstaat een geheel nieuwe mogelijkheid tot interdisciplinaire samenwerking. Even belangrijk is de mogelijkheid om via een GIS heel levensecht weer te geven wat de consequenties zijn van bepaalde ingrepen: het effect van de aanleg van een dam, bijvoorbeeld, kan met een driedimensionaal beeld worden gesimuleerd op basis van een satelietbeeld gecombineerd met een digitaal hoogtemodel. Als die simulatie er eenmaal ligt, is het aanbrengen van veranderingen (zoals de hoogte van de door de dam veroorzaakte overstroming) ook niet meer zo moeilijk. Hiermee zouden belangengroepen zoals boeren en natuurbeschermers samen met ingenieurs en overheden kunnen komen tot concrete afspraken over de aard van de technische ingrepen.

Over het algemeen valt er dus vooral goeds te melden van GIS-en en het bijbehorende speelgoed zoals globale positioneringssystemen - het is aantrekkelijk gereedschap, niet in de laatste plaats voor studenten, die de bijbehorende software met groot gemak oppakken.

En toch, aan beginnende kaartenmakers zie ik hoe groot de valkuilen zijn: niet gehinderd door gebrek aan data-opslag- of tekencapaciteit, willen zij altijd weer te veel dingen tegelijkertijd in een kaart onderbrengen. Maar er is geen kaart, behalve die mastercard in ons eigen hoofd, die alles tegelijk kan weergeven. Studenten en andere afficionados van GIS-en hebben ook de neiging om vooral heel veel kaarten te produceren. En natuurlijk, ook hier geldt: slechte input = slechte output. Maar dit alles is geen reden om zich af te zetten tegen de mogelijkheden van geografische informatiesystemen. Integendeel, ook onzinnige kaarten kunnen hun functie hebben in de gedachtenbepaling. En fraaie kaartjes, vooral als ze afkomstig zijn van een aan een perfecte kleurenprinter verbonden GIS, werken nu eenmaal verslavend. Ik weet er alles van. Maar voor de ware kartofiel is van alle kaarten de imaginaire kaart de mooiste.