De emoties van De Nationale Feestrok; 'Eenheid in veelheid van lijnen en kleuren'

Alle vrouwen op nationale feestdagen in dezelfde rok zou saamhorigheid bevorderen en rangen en standen doorbreken. Vanuit dit idealistische idee wekte verzetsstrijdster Mies Boissevain-van Lennep na de oorlog Nederlandse vrouwen op patchworkrokken te maken van oude lapjes van kleren van overledenen of van teruggekeerde gevangenen. Een 'nieuw vrouwenleven in een Nieuw Nederland'

De Nationale Feestrok: een vrouwelijke herinnering. 22 april t/m 18 juni, dag 10-17u. Rijksmuseum, Stadhouderskade 42, Amsterdam. Inl 020-6732121.

Vijftig jaar bevrijding, vijftig jaar bevrijdingsrokken. Patchwork op het thema herinnering plus 54 Nationale Feestrokken. Ned. Herv. Kerk te Winkel (N.H.). Dag 11-16u30. Inl 02240-14306 of 020-6225324.

In het tijdschrift Opzij verschijnt volgende week een speciale bijlage over de Nationale Feestrok, die tevens dient als catalogus bij de expositie in het Rijksmuseum, en daar ook gratis verspreid wordt.

Vlecht in uw rok het patroon van uw leven Vrouwen en meisjes van dorp en van stad Lichtend symbool van het vrouwelijk streven Draagt het verheugd, als de bloem draagt haar blad. Eenheid in veelheid van lijnen en kleuren, Vormt met uw rok het saamhorig verband, In het geheel van historisch gebeuren, Tooit het ontwerp met Uw hart en Uw hand. Stempelt Uw rok met het merk Uwer dagen. Voert dat wat Was en wat Is in Uw vaan. Heden-Verleden, blijmoedig gedragen, Siere Uw kleed, Uw gezin, Uw bestaan.

Zoet en strijdbaar tegelijkertijd staat dit vers afgedrukt op een pamflet 'De Nationale Feestrok' dat in mei 1948 werd uitgegeven door 'Het Rokken-Comité'. Het comité, onderdeel van een commissie die na de Tweede Wereldoorlog richtlijnen uitvaardigde voor de viering van nationale feestdagen, riep vrouwen op tot het maken van een zogenaamde 'Nationale Feestrok'. Dat moest een patchwork-rok zijn waarvan de zoom zou bestaan uit effen punten, waarin middenvoor 5 mei 1945 geborduurd moest worden, en daarna de data van de nationale feestdagen waarop de rok gedragen zou worden. Verder werd het aan de fantasie van de naaisters overgelaten hoe zij de ondergrond zouden bestikken met oude lapjes en borduren met teksten en namen, (nationale) symbolen, penningen, lintjes en vlaggetjes. De maaksters konden hun rok laten registeren bij het 'Nationaal Instituut' en laten voorzien van een stempel. 4000 werden er geregistreerd, maar er zijn waarschijnlijk ook veel ongeregistreerde rokken geweest.

Jolande Withuis, sociologe en publiciste, stuitte tijdens een onderzoek naar de Nederlandse Vrouwenbeweging die na de oorlog werd opgericht op de feestrok, en ontdekte dat er wel wat meer achter stak dan een 'stukje folklore'. Om te beginnen bleek de Nationale Feestrok het geesteskind te zijn van een van de meest vooraanstaande verzetsvrouwen in Nederland.

Als het aan Adrienne Minette Boissevain-van Lennep (1896-1965) had gelegen, zouden alle vrouwen vanaf de eerste viering van bevrijdingsdag in 1946 op nationale hoogtijdagen een kledingstuk dragen van oude lapjes. “Als een symbolisch politieke daad, een vrouwelijke uitbeelding van het wederopbouw- en vernieuwingsstreven,” schrijft Withuis in 1991 in De Gids.

“Wij vinden het nu naïef en zelfs hilarisch, zoals Mies Boissevain na de oorlog het land rondtrok om de Nationale Feestrok te propageren,” zegt Withuis. Boissevain was een vrouw van statuur, zowel voor als na de oorlog betrokken bij politieke en bestuurlijke activiteiten, een feministe, berucht om haar anti-Romme limericks. Een verzetsheldin, door Links en Rechts geprezen om haar moed. Persoonlijke verliezen bleven haar niet bespaard; vanwege hun betrokkenheid bij het verzet werden twee zonen gefusilleerd en haar man overleefde het kamp niet. “Ze was nou niet bepaald een gekkin die dacht dat als iedereen nou maar fleurige rokken droeg dat dat de wereldvrede zou bevorderen.”

Maar een forse dosis hooggestemd idealisme kan haar niet ontzegd worden. Geheel passend in de patchwork- en quilttraditie zou het uitwisselen van lapjes - is ook het uitwisselen van ervaringen - de communicatie bevorderen en het oorlogsleed helpen verwerken. Door 'echte lapjes' te gebruiken, van kleren van overledenen of van teruggekeerde gevangenen, stukjes parachutestof en stof uit vlaggen, zouden oorlogservaringen harmonieus geïntegreerd worden in een 'nieuw vrouwenleven in een Nieuw Nederland'.

Tijdens lezingen en voor de radio vertelde Boissevain hoe ze op het idee van de lapjesrok was gekomen; in augustus '43, als ze in de vrouwengevangenis aan de Amstelveenseweg zit, smokkelt een vriendin in een waszak een dasje het kamp binnen. Een dasje gemaakt van lapjes van haar baljurk en van de kleren van haar kinderen. Lapjes ook van de kleren van de medestrijders in het verzet, die een basis hadden in haar huis in de Corellistraat 6 (waar de radicale verzetsgroep CS-6 naar vernoemd is) in Amsterdam. Het is een 'fleurig, frisch' dasje, dat kleur geeft in alle lelijkheid. In de smoorhete en stinkende cel waar acht vrouwen een zenuwinzinking nabij zijn begint Boissevain te vertellen waar de lapjes haar aan doen denken. “Er kwam contact, stemming. Alles veranderde.”

Het idee van de feestrok sloot ook aan op de na-oorlogse Doorbraakgedachte. Alle vrouwen op nationale feestdagen in dezelfde rok zou saamhorigheid bevorderen, en rangen en standen en zuilen doorbreken. 'Eén dracht maakt eendracht'. Het streven naar harmonie kwam bovendien ook tot uitdrukking in het bij elkaar zoeken van kleuren en vormen. Dat gold zowel voor harmonie in het persoonlijke leven als in het maatschappelijk bestaan. Belangrijke nationale gebeurtenissen en persoonlijke ervaringen zouden er beiden in verwerkt worden, want in de ogen van Boissevain moesten het openbare en het privéleven met elkaar vervlochten zijn. Zo zou de rok een kroniek zijn van het vrouwelijk leven. Boissevain sprak dan ook liever van 'levensrok'.

“Op foto's van net na de oorlog”, vervolgt Withuis, “is ze zo stevig, zo zelfbewust. Ze heeft zo'n prachtige kop. Als je zelf twee kampen ternauwernood overleeft, en twee zonen en je man verliest, en dan zo ongebroken bent, dat wijst op een vitaliteit waarvoor ik grote bewondering heb. Tegen die achtergrond is zo'n optimistische rokkenactie indrukwekkend en ontroerend.”

'Finest Hour' van de feestrok valt op 2 september 1948, als 1500 vrouwen bij het defilé voor het Gouden regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina in lapjesrok het Feestrok-lied zingen (bovenstaand gedicht, dat door de schrijfster Elisabeth van Maasdijk op muziek is gezet). Daarna zinkt de rok weg in de vergetelheid.

Nadat Withuis eerst in De Gids, en later in bladen als Kostuum en Quiltnieuws over de feestrok publiceert, komen tientallen feestrokken tevoorschijn. 54 daarvan worden binnenkort geëxposeerd in De Nederlands Hervormde Kerk in Winkel, en morgen opent het Rijksmuseum een expositie met twintig rokken.

Thil van Twisk, organisatrice van de expositie in Winkel, verwacht dat er nog veel meer rokken zullen opduiken, geregistreerde, en ongeregistreerde. “Mijn moeder had ook zo'n rok genaaid, maar zij wist zelf niet hoe ze er ooit bij was gekomen. Er stond onder andere '8 oktober Alkmaars ontzet'. Pas toen ik nog een patchwork rok zag met diezelfde datum, en wat vragen ging stellen, bleek dat ze eigenlijk een nationale feestrok had gemaakt, zonder het te weten. Ze had het waarschijnlijk ergens gezien en gewoon nagedaan.” De expositie in Winkel benadrukt overigens meer de rol die de rok speelt in de geschiedenis van het Nederlandse patchwork. “De rokken laten perfect zien dat quilting meer is dan het prutsen met lapjes”, zegt Van Twisk. “Door persoonlijke ervaringen van verdriet en vreugde te verwerken, wordt er emotie in tot uitdrukking gebracht.”

Ontroerend zijn de rokken zeker. In het Rijksmuseum hangt de rok van 'Zuster Mammie' Boissevain zelf, met in contrasterend blauw op fel oranje het familiedevies Ni regret du passé, ni peur de l'avenir. Haar zoon schreef het vlak voor zijn executie met bloed op de celmuur. De schaatsmedaille van een geëxecuteerde zoon op een rok van Elisabeth van Maasdijk, davidsterren, hakenkruizen, en kromme magere figuurtjes missen hun uitwerking niet. Luchthartiger zijn geborduurde opschriften als 'de eerste reep chocola hmmm'. Er is een grappige foto van Mies Boissevain bij haar auto waarmee ze stad en land afreisde; op de achterklep is parmantig de campagne-affiche 'Heeft u al een Nationale Feestrok?' geplakt.

Niet iedereen hield zich aan de voorschriften; een vrouw uit Den Haag had duidelijk niets op met de bonte afwisseling van patchwork. Zij borduurde met glanzend crèmekleurig garen op een volledig zwarte rok teksten als 'Dank aan onze Canadese bevrijders' en appliqueerde van parachutezijde een miniatuurparachute waaraan een tinnen soldaatje hangt. De zoom is afgezet met rood-wit-blauwkleurig KLM-lint, en ook is er een machinaal geborduurd lint met 'Nederland herrijst' in verwerkt. Dergelijke linten - er is er ook een met de boodschap 'we zijn er nog niet maar we komen er wel' - zijn vaak op de rokken te zien.

Op de expositie zijn ook de borduurlappen te zien van Atie Siegenbeek van Heukelom, die als verzetsstrijdster zes kampen overleefde. “Van een hemd scheurde ze een vierkante lap”, vertelt Withuis, “want ze moest iets creatiefs doen. Als ze uren op appèl stonden keek zij spiedend rond of iemand nog iets gekleurds aan het lijf droeg, dan kon ze er een draadje uit peuteren. Want borduurzijde werd in de Duitse kampen niet verstrekt natuurlijk. Ze droeg de lap al die tijd bij zich, hij is ook heel vies, maar in het Rijksmuseum durven ze hem niet te wassen.”

Ook zijn er zakdoeken met namen van kampgevangenen erop geborduurd, onder andere de naam van Boissevain. Borduren om ervaringen te verwerken - het is een van de bronnen voor het idee van de nationale feestrok. Withuis: “Kleur was belangrijk, iets moois zien deed zo'n goed, net als het maken van cadeautjes voor elkaar, uit niets. Het was creatieve therapie avant la lettre.”

Droeg je de rok echt, vroeg Withuis de maaksters. “Een van hen hield 't maar een half uurtje uit, de lapjes waren veel te beladen. Dat was natuurlijk ook moeilijk, feestvieren in een rok van lapjes van overleden dierbaren. Er was ook een vrouw voor wie de rok - die haar moeder had gemaakt - echt een rok van vreugde was. De lapjes waren van iedereen die het had overleefd, de oorlog was voorbij. Maar toen ze nog eens goed keek herkende ze een stukje van opoe's jurk, die door een granaatscherf omgekomen was.”

Behalve persoonlijke ervaringen werden er zoals Boissevain wilde inderdaad belangrijke nationale gebeurtenissen in de rokken verwerkt. Verwijzingen naar de drie van Breda, de Watersnoodramp in '53, de onafhankelijkheid van Suriname, de troonsafstand van Juliana, de zaak Menten. Volgens Withuis heeft dat alles te maken met een klein feministisch golfje tussen de Eerste en de Tweede Golf. “Door de oorlog kregen vrouwen met de wereld te maken. Ze hadden onderduikers in huis. Hun mannen waren weg. Ze waren zelfstandiger en zelfbewuster geworden, en hoopten op een verbetering van hun positie. In Iris bijvoorbeeld, tijdschrift voor levenskunst, werd gesproken van 'Onze Koningin (Wilhelmina), moeder en werkende vrouw'. Dat zou in de latere vrouwenbladen van de jaren vijftig weer ondenkbaar zijn. Een moeder was thuis bij haar kinderen en werkte niet; vrouwen werden ontslagen als ze gingen trouwen.”

“Het is misschien tuttig, maar het getuigt wel van een maatschappelijke betrokkenheid, als je de onafhankelijkheid van Indonesië op een rok zit te borduren”, aldus Withuis. Maar nee, “je kunt niet zeggen dat het Nederlandse feminisme in feestrok liep”. Niet iedereen was er evenveel door gecharmeerd. In Trouw van 23 maart 1946 wordt de rok van 'lappen en vodden' een 'zottemansvertooning' genoemd, en smalend voor een 'aardig stukje traditie', en 'bedelrok' uitgemaakt. Het feministische netwerk waar Boissevain deel van uitmaakte was afstandelijk, zo niet sceptisch. Op een van haar lezingen in Amsterdam stelt Boissevain bozig vast dat uit de registratie blijkt dat er in de steden niet genoeg feestrokken worden gemaakt.

“Ze was dan ook wel heel erg een feministe van het vrouwelijke”, verklaart Withuis. “Ze vond bijvoorbeeld dat vrouwen lang genoeg hadden geprobeerd om in de rol van de man te stappen, dat dat de samenleving killer en harder maakte. 'De vrouw in broek is de concurrent van de man, de vrouw in rok is de partner van de man', zulke dingen zei ze. Feminisme betekende voor haar dat het vrouwelijke in de maatschappij, ook in het openbare leven gebracht moest worden. Een aparte vrouwenpartij hoorde daarbij. De verkiezingsleus van Praktisch Beleid - een in '46 door Boissevain opgerichte vrouwenlijst - luidde: 'Onpartijdige vrouwen van Praktisch Beleid versus Onpraktische mannen van Partij Beleid'. Zo'n houding draagt niet echt bij aan emancipatie, vrees ik.”

En dat is, oppert Withuis, misschien de verklaring waarom dat na-oorlogse feministische golfje bijna onmiddellijk weer werd gladgestreken. “Ik denk dat het feminisme van Boissevain, al die nadruk op het vrouwelijke - de man is de hersens, de vrouw is het hart - en die verheerlijking van het moederschap, te gemakkelijk weer teruggedraaid kon worden naar een gezinsideologie waarbij vrouwen uitsluitend het privédomein beheren, en mannen het openbare. Daar kwam natuurlijk bij dat al die ideëen over harmonie en doorbraak en vrede al snel door de harde werkelijkheid van een Koude Oorlog, en de strijd in Indië, werden ingehaald. Bovendien daalde over de oorlog al in 1947 een grote stilte neer.” En dat was een werkelijkheid waarin die vrolijke en droevige en lieve Nationale Feestrok ook niet meer kon gedijen.