De eerste thuiskomst na een lange zeereis

Het was negen uur in de morgen toen we de door mist bijna onzichtbaar geworden haven van Den Helder binnenvoeren. We waren zes maanden van huis geweest en iedereen had zo zijn eigen gevoelens over de hereniging met zijn dierbaren die opeengepakt als een hoop mieren op de kade stonden te wachten. Sommigen hadden het al vaker meegemaakt en wisten precies dat hooggespannen verwachtingen altijd tegenvielen, voor anderen echter was het de eerste keer. Tot die laatste groep behoorde korporaal telegrafist Zuidema. Ofschoon hij al vijf jaar in dienst zat, was dit pas zijn eerste grote trip. Verleden jaar was hij getrouwd en over twee maanden zou hij vader worden.

Zuidema en ik stonden naast elkaar op de brugvleugel toen hij zijn vrouw ontdekte. Ze stond bij haar vader, op veilige afstand van de menigte en rookte nerveus een sigaret. Zuidema begon wild met zijn armen te zwaaien maar ze zag hem niet. Het leek alsof ze gehypnotiseerd stond te wachten tot iemand met zijn vingers knipte. Net op het moment dat Zuidema naar beneden wilde gaan om zijn vrouw van dichterbij te kunnen roepen, werd hij bleek als krijt. Ik vroeg hem wat er aan de hand was en zag dat zijn onderlip begon te trillen. “Jezus”, fluisterde hij angstig alsof hij zojuist de Messias in eigen persoon op de kade had zien staan. Als een haas schoot hij naar binnen en sloeg de handen voor zijn gezicht. Toen begon hij te huilen. Hij huilde als een kleine jongen die door zijn moeder voorgoed in een weeshuis is gestopt en haar door het raam het pad af ziet lopen.

Nadat hij wat rustiger was geworden, werd duidelijk wat er was gebeurd. Sally, het meisje waarmee hij vier maanden geleden in Portsmouth een weekend plezier had gehad, stond op de kade. Nadat hij het me had verteld, begon hij opnieuw te huilen. Over ongeveer een half uur zou het schip door de douane worden vrijgegeven en zou Zuidema's leven ineenstorten.

Zoals gewoonlijk stond er voor mij niemand op de kade. Ik liep de valreep af en zag dat Sally me herkende. Ze gaf me een zoen en lachte onzeker. Om de een of andere reden had ze de behoefte om mijn beide handen vast te houden. Kalm en zakelijk vertelde ik dat Zuidema er niet was. Dat hij drie weken geleden zijn been had gebroken en met de helikopter van boord was gehaald. Sally's gezicht begon langzaam te veranderen. Maar in tegenstelling tot Zuidema huilde ze niet, al werd ze wel bijna net zo wit. Om ons heen was het carnaval inmiddels losgebarsten en werd er luidruchtig gekust, gejankt en omhelsd en nog veel meer dingen waaruit blijkt dat zeeman een abnormaal en onmenselijk beroep is. Ik moest opschieten.

Met zachte drang loodste ik haar mee en stelde voor ergens iets te gaan drinken. In de lunchroom van V&D dronken we koffie, waar ze me vertelde dat ze van haar laatste spaarcenten de overtocht had betaald en nu totaal blut was. Blut en gebroken. Ze zat mistroostig tegenover mij en roerde gelaten in haar koffie.

Op het perron kocht ik een kaartje en gaf haar tweehonderd gulden. Voor ze instapte, omhelsde ze me en gaf me een lange zoen op m'n wang. Haar ogen stonden vol tranen die langzaam over haar wangen dropen. “De klootzak!” zei ze zacht. Meer niet. En daar was alles mee gezegd.