Beedelmusyk, Te Tholouse

Wat vroege morgenhaanen Doorkraaijen myn portaal, en luije leedekant Om my den daageraad onnoodigh te vermaanen? Hoe? nam de Son dan reeds syn breidels, in de hand?

O Neen, myn ooren droomen Dit lykt geen haanekeel, maar eer een harmony Van snaaren. Hoe zou hier gespeel van snaaren koomen? Myn slaapen viel te kort, 't is noch geen daghgety.

Zoo zyn myn ooren dronken Van slaap. Nochtans ik waak, en praat, en hoor geveel. Wegh donkere gardyn. Sie daar de sonne pronken In glas, van 's buurmans huis, aan 't opperste kanteel.

Waar seegh ik op dees pluimen? Was 't in Tholouse niet, de tweede steedekroon Van Vrankryks grootste steên? placht ik hier niet te sluimen In dit vertrek, zoo vroegh geen violons gewoon?

Men leest in wyse boeken Van diepe droomers, die, als wakker, 't duistre bed Verlieten, praatende, en doorsnufflende alle hoeken. Noch twyffel ik myn brein van droomen is beset.

Hoor daar, hoor daar de snaaren Verheffen streek, op streek, veel luider haaren trant Als of se dieper in myn ooren, wilden vaaren Om my te lokken, van de warme leedekant.

Nu sie ik wel 't zyn Fransjes Landloopers, beedelaars, gelyk se te Parys Aan taafel, viddelen: dees, met hun lichte dansjes Om Gods wil bidden, ik zoo biddende verrys.

Op luijaard, soek Lowysen Van Sweeds metaal, of soek wat stuivers, met een merk: Gaat, als aalmoessenier, die bloedjes elders wysen. Wie s morgens armen troost, begint, met heiligh werk.

Joannes Six van Chandelier (1620-1695)

Dit is ongetwijfeld een van de kroonjuwelen van de Nederlandse poëzie. Wie het niet uit zijn hoofd kent, ben ik geneigd te zeggen, die telt eigenlijk niet mee. Maar het is, in tegenstelling tot zulke mede-parels als Constantijntje, 't zalig kijndtje of Klaere, wat heeft er uw hartjen verlept, eeuwenlang in de kelder blijven liggen en men weet, gedichten worden daar, in tegenstelling tot schilderijen die op de beurs verhandelbaar zijn, zelden uit gered. 't Is met de bekendheid van de Bedelmuziek te Toulouse altijd zo gesteld geweest, alsof een schilderij van Vermeer of Seghers aldoor onder de keldertrap van een adellijke burcht in Opper-Silezië bleef hangen. De osmose tussen canon en catacombe verloopt in de schilderkunst wat minder stroef dan in de poëzie. Men is met schilderijen wat verhuiszieker en wendbaarder. 't Zal door het geld komen dat smeert.

Aan gedichten wordt niet verdiend en dat heeft alles met de geringschatting te maken. Zelfs het feit dat de Bedelmuziek te Toulouse over geld gaat, heeft de bieders en lovers die de canon tot stand brengen niet mogen vermurwen. Het gedicht van Six van Chandelier mag dan inmiddels op het repertoire van de liefhebbers prijken, in de schoolboeken en de poëzie-toptienen komt het nog steeds niet voor. Altijd als ik een bedelaar tegenkom of een anderszins behoeftige op de stoep zie hurken spreek ik mezelve vermanend de gevleugelde woorden toe

Op luiaard, zoek Lowijsen!

maar hoevele van mijn medemensen zullen dat hebben? Van de Waddeneilanden tot de Vlaamse Ardennen, schat ik, een stuk of drie, vier. Mooi draagvlak voor iets zo gevleugelds.

Met die zelfvermaning haal ik, curieus genoeg, ook het enige woord binnen dat in dit gedicht misschien een voetnoot behoeft. De Bedelmuziek klinkt na bijna driehonderdvijftig jaar nog even fris en kan het geheel en al zonder woordverklaringen stellen, dunkt me, maar die Lowijsen zijn vanzelf Louisen, geldstukken met de kop van Louis erop. Geen Louis d'ors maar enjambementen zorgen wel vaker voor een kouwe douche 'Van Sweeds metaal', koperen munten dus.

Daar hebben we meteen bij de kladden wat gedichten, meer dan schilderijen, tot de catacomben veroordeelt: de politiek. Met haar eeuwige zucht tot verandering en wisseling maakt ze de taal iedere keer onbegrijpelijker. Wisselingen van macht en territorium. Veranderingen in spelling en geldstelsel. Plus ça change... 't Zal nu opnieuw maar enkele jaren duren of wij, volk van ecutellers en ecugaarders, zullen zelfs de simpele zin

Als de kleine man een kwartje heeft, dan gaat ie naar de kroeg

uit De kleine vrouw van Kees Pruis als cryptisch ervaren en een voetnoot bij kwartje nodig hebben. 't Blijft met alle vooruitgang het oude liedje: de poëzie is de dupe.

Six' Bedelmuziek hoeft gelukkig niet gestut te worden door een uitgebreide stellage van verklarende noten, op zich een toevalstreffer en een wonder in de poëtische monumentenzorg. 't Is een voorbeeld van een imperiaal gedicht, van 'het moet zo en niet anders', met nergens een stoplap, zo'n gedicht dat door herhaling niet krimpt of gloedloos wordt en dat je bij iedere herlezing weer schone lucht door je hoofd blaast.

Het tweegesprek van de dichter met zichzelf, terwijl hij zich tot op het laatst afvraagt of hij al wakker is of nog droomt, pas op de plaats, en verder pas op de plaats, en verder, het blijkt na een tijd samen te vallen met het ritme van de trippende vedelaars buiten. Als bij een krakeling grijpen de dansende onzekerheden van de halfslaap en de levendige schelheid van het straattoneeltje in elkaar. De sensatie van op reis wakker worden in een vreemde stad, hier staat het voor eens en voor al beschreven. En dan de fenomenale slotregels, met die spreuk-wijsheid van een zichzelf ironiserende vrome die met geld het onheil uit zijn eigen voortuin afkoopt en dat weet, nee, 't is een tijdloos meesterwerk.