Amsterdam kiest en zal daarna huilen

Geen onderwerp waar burgemeesters, gemeenteraadsraadsleden en commissarissen van de koningin zo begeesterd over kunnen praten als bestuurlijke herindeling. Laat het woord BoN-gebied, dan wel Kaderwet bestuur in verandering vallen en de gemiddelde bestuurder is niet meer te stuiten. Dan brandt hij los over functionele versus territoriale verdeling, bezien van uit het bovenlokale en regionale niveau waarbij de aansturing van onderaf zeker niet uit het oog mag worden verloren. Dat soort teksten dus. Vele bossen zijn reeds omgekapt om het benodigde papier voor de talloze discussienota's te leveren, oneindig veel congressen zijn al over het thema gehouden. Aanbod schept vraag, ook hier.

Nu het bijna zover is - er wordt bestuurlijk heringedeeld - is de tijd aangebroken om ook de burger erbij te betrekken. En die snapt het niet, of blijkt te primair te reageren. Tenminste, dat vinden de politici die zich al jaren met dit onderwerp bezighouden. Amsterdammers willen Amsterdammer blijven, Amstelveners willen onder geen beding Amsterdammer worden, Rotterdammers willen Rotterdammer blijven, terwijl Capellenaren weer niets voelen voor aansluiting bij Rotterdam. Maar daar gaat het helemaal niet om, klinkt het wanhopig uit de diverse gemeentehuizen. Helaas, de geest is uit de fles. Terwijl de bestuurders het hebben over een logische afstemming binnen het reeds bestaande WGR-gebied, mort het volk via de phone-ins van de lokale radio over het verkwanselen van de eigen stedelijke identiteit.

Er is geen debat, er is vooral spraakverwarring. Voorzover er al discussie is, is het een discussie tussen doven. Maar snapt de burger die opkomt voor zijn eigen stad het werkelijk niet? Of begrijpen zijn bestuurders het misschien niet helemaal? Het hebben van een informatievoorsprong hoeft per slot van rekening niet automatisch ook gelijk hebben te betekenen. Veel meer lijkt het er op dat de bestuurders, die zich nu zo verbazen over de emotionele bezwaren van Amsterdammers en Rotterdammers tegen het herverkavelen van hun stad, niets hebben geleerd van de diverse, kleinschaliger, gemeentelijke herindelingen elders in het land. Altijd riepen deze bezwaren op, altijd waren deze gevoelsmatig, bijna altijd gingen de herindelingen door, altijd bleef de onmin.

Ook is niets geleerd van de Europese deconfiture. Wat zich thans in Amsterdam en Rotterdam voltrekt, is nagenoeg een kopie van wat zich enkele jaren geleden in een groot aantal Europese landen voordeed. Met de intergouvernementele conferentie in Maastricht was de Europese eenwording een feit, dachten de deelnemers. Jarenlang hadden zij zich kunnen vereenzelvigen met het idee van de Verenigde Staten van Europa. 'Maastricht' betekende voor hen de apotheose van die gedachte. Groot was dan ook de ontgoocheling dat 'Maastricht' voor veel inwoners van Europa daarentegen het startschot van de noodremprocedure bleek. De Denen zeiden door middel van een referendum 'nee' tegen Europa, terwijl het in Frankrijk en Groot-Brittannië weinig scheelde. In elk geval leidde Maastricht niet tot een versnelling, maar tot een keerpunt in het denken. Plotseling kreeg het begrip 'subsidiariteit' inhoud.

De overwegingen om in Nederland tot stadsprovincies te komen zijn identiek aan die van het verenigd Europa: de concurrentie vergt slagvaardigheid en derhalve schaalvergroting. In beide gevallen is het nauwelijks een keuze, maar een onvermijdelijkheid. Waar in Europa de 'markt' het openbaar bestuur voorging, deden de diverse gemeenschappelijke regelingen het voorwerk voor de vorming stadsprovincies. De problemen ontstaan als een en ander bestuurlijk moet worden geëffectueerd. Dan blijken tussen onvermijdelijkheid en daad opeens wispelturige burgers te staan. Vertrouwd met het bestaande en angstig voor het nieuwe, zijn ze van nature gereserveerd. Wordt die burgers ook nog de worst van een referendum voorgehouden, dan is spektakel verzekerd.

Zover is het nu in Amsterdam en Rotterdam. Volgende maand mogen de Amsterdammers zich uitspreken en de maand erop de Rotterdammers. Dat uitspreken niet hetzelfde is als beslissen, is minder duidelijk. De advertentie waarin het referendum wordt aangekondigd en die de gemeente Amsterdam deze week in de dagbladen plaatste, rept met geen woord over de betrekkelijke waarde van de volksraadpleging. Want niet de betrokken gemeenten besluiten of zij opgaan in een stadsprovincie, maar het kabinet en de Staten-Generaal. Het referendum is dus niet meer dan een wat groot en duur uitgevallen opiniepeiling. Oftewel: goed voor het achterhoofd van degenen die in Den Haag moeten beslissen.

Dat wordt straks dus een dubbele frustratie voor de tegenstanders van stadsprovincies. Weten zij een meerderheid te behalen, dan zullen ze moeten ervaren dat èn de plannen gewoon doorgaan èn de uitslag van het referendum niet gerespecteerd wordt. De burger wordt zo niet betrokken bij het bestuur, maar raakt er van losgeslagen.

Het zou niet de eerste keer zijn dat een referendum tot een averechts effect leidt. Amsterdam kent al de mislukte volksraadpleging over de autoluwe binnenstad, de gemeente Leiden zag enkele jaren geleden een referendum over de sluitingstijden van de plaatselijke horeca de mist in gaan. De komende referenda in Amsterdam en Rotterdam lopen de kans hetzelfde lot te ondergaan.

Tenzij de inwoners van deze plaatsen er op tijd achter komen wat het betrekkelijke nut is van hun stem. Dan zullen ze massaal thuisblijven en op die manier de 'rechtsgeldigheid' van het referendum ongedaan maken. Want als het er op aan komt, weten mensen heel goed of het wel of niet ergens over gaat. Ook daar kan Europa als voorbeeld dienen. Voor een 'fake-parlement' komen de mensen niet de deur uit. Exact hetzelfde gaat op voor een 'fake-referendum'.

Ondertussen komen de bekritiseerde stadsprovincies er natuurlijk gewoon. Maar wel met een ongetwijfeld nog geringere legitimatie door de kiezer dan provinciale en gemeentebesturen nu al hebben. Zodat als het in 1997 echt zover is, geconcludeerd kan worden dat de poging om het bestuur dichter bij de burger te brengen wederom is mislukt. Verwonderlijk is het niet. Idealen zijn om naar te streven, niet om te worden verwezenlijkt.