Ajax-collectief doet oude tijden herleven

AMSTERDAM, 20 APRIL. Het verlangen om oude tijden te doen herleven overheerste. In het veld dansten de Ajacieden, op de tribunes zongen de aanhangers - allen samen in de euforie van de onstuitbaar lijkende successenreeks. De ouderen voelden zich weer één met Johan Cruijff, Piet Keizer, Sjaak Swart, Gerrie Mühren, Ruud Krol, Wim Suurbier en hun trainer Rinus Michels; de jongeren met Jari Litmanen, Finidi George, Nwankwo Kanu, Frank Rijkaard, Danny Blind, Marc Overmars, Clarence Seedorf, de broertjes Ronald en Frank de Boer en hun trainer Louis van Gaal. Wat ze allen gemeen hebben, is het Ajax-gevoel, het gevoel deel uit te maken van de club die het mooiste voetbal van Europa wil spelen.

Onvermijdelijk is de vergelijking tussen het Ajax dat in 1995 de finale van de Champions League heeft bereikt en het Ajax dat in 1969 voor de eerste keer naar de finale van de Europa Cup doorstootte. Net als 26 jaar geleden is AC Milan de tegenstander, net als toen een ploeg die aan het einde van een succesperiode lijkt gekomen, net als destijds een elftal met een eenzame ster - toen Gianni Rivera, 'de gouden jongen', nu Dejan Savicevic, 'het genie'. Milan zou toen nog eenmaal toeslaan en Ajax genadeloos met 4-1 verslaan. De nederlaag in Madrid was het begin van Ajax' heerschappij in Europa. De geschiedenis zou zich op 24 mei in Wenen kunnen herhalen. Met dien verstande dat Ajax de machtsgreep op Milan niet net als toen een paar jaar moet uitstellen.

Het grote Milan van toen speelde anders dan het Milan van nu, het grote Ajax van toen ook. Het elftal van de jaren zeventig werd onmiskenbaar gedragen door de spontane acties van Cruijff en de doordachte acties van Keizer. Het elftal van nu heeft geen uitblinkers, het is een team van gelijken, het is een collectief, dat in de ene wedstrijd in Litmanen zijn uitblinker heeft en in de andere Seedorf. Ze lijken ook meer op elkaar, ze spelen beter met elkaar, ze vormen een team dat 'balcirculatie' tot het hoogste goed heeft verheven en balvaardigheid in functie van de tactiek stelt. Maar altijd spelen ze aanvallend. Ajacieden weten niet beter.

Uiteenlopende eigenschappen en vele nationaliteiten zijn samengesmeed tot een saamhorige groep. Dat is vooral de verdienste van Louis van Gaal, die sinds september 1991 heeft kunnen bouwen aan een elftal dat aan zijn vurige wensen tegemoet komt. Spelers gingen, spelers kwamen, sommigen waren niet te behouden, anderen moesten verdwijnen. Misschien dat nu pas door Van Gaal een elftal kan worden opgesteld dat in staat is het voetbal te spelen dat dag en nachts door zijn geniale voetbalbrein spookt.

Tegen de tijd dat Van Gaal gaat oogsten, heeft hij zijn harnas uitgedaan. Zijn borst staat niet meer vooruit als een pantser. Trots is voor hem een aangenaam gevoel geworden, niet langer een wapen. Tegen de tijd dat Ajax in de finale van Milan verliest, zal hij een waardig verliezer zijn. Dan zal hij misschien oprecht tonen dat verliezen geen schande is. Door de manier waarop hij zijn elftal laat spelen kan hij dan met opgeheven hoofd het stadion in Wenen verlaten. In de roes van het succes, die gisteren sommige Amsterdammers naar het hoofd steeg, blijft Van Gaal realist. Wie de finale wint is goddelijk, wie verliest wordt verstoten. Niets is pijnlijker dan een finale verliezen, beseft hij.

Maar waarom zou Ajax van Milan verliezen? Omdat Milan Savicevic, de tovenaar uit Montenegro, in zijn midden heeft? Omdat de heersers van Europa op hun oude dag nog eenmaal willen schitteren? Omdat Milan finales aanvoelt? Omdat Milan zomaar kan winnen als niemand het, zoals vorig jaar tegen Barcelona, verwacht? Omdat Milan veel beter, constanter, krachtiger en zelfverzekerder is gaan spelen sinds Ajax de Italianen tweemaal versloeg? Wie tot tweemaal toe het spel ontregelt van de spectaculairste ploeg in de Champions League, Paris St. Germain, dat net als Ajax nog ongeslagen was, geeft aan over gevaarlijke wapens te beschikken.

Zelfingenomenheid en lichtzinnigheid zijn karaktertrekken die de Ajax-jeugd weleens parten spelen. Van Gaal zal alles proberen om de feestroes na de spectaculaire 5-2 overwinning op Bayern München tijdig weg te nemen. Bayern mag dan een tegenstander van naam zijn, een elftal met de bekende Duitse eigenschappen bovendien, zo verzwakt als de Beierse ploeg door blessures moest aantreden zou een reden kunnen zijn om er op te wijzen dat Ajax geen meesterzet heeft gedaan.

Eigenlijk boekte Ajax een verwachte overwinning. Maar dat neemt niet weg dat Ajax bij vlagen magistraal speelde en dat de wedstrijd van begin tot einde boeide. Bayern speelde niet eens zo op de counter als werd verwacht. Integendeel, in de openingsfase kozen de Duitsers voor de aanval. Dat Ajax terugsloeg met weergaloze acties van Litmanen, Ronald de Boer, George en Kanu was te verwachten, maar daarom des te plezieriger. Verrassend en daarom zo goed voor de amusementswaarde van de wedstrijd was de manier waarop Bayern terugvocht voor de gelijkmaker. Met Mehmet Scholl als de beste man van het veld.

Prachtige doelpunten van Litmanen (tweemaal) en vooral die van George zorgden voor een weldadige sfeer in het Olympisch Stadion. Wegzakkend in een aangename roes trof het de Amsterdammers onaangenaam dat een kwartier voor tijd Bayern door een strafschop van Scholl terugkwam tot 4-2. Onsportief, maar begrijpelijk waren de smeekbeden van de Bayern-spelers bij de uitstekend leidende scheidsrechter Puhl om Blind een rode en geen gele kaart te geven nadat hij de bal met de hand uit het doel sloeg. In Duitsland zijn scheidsrechters bij zulke overtredingen onverbiddelijk: hands in het strafschopgebied is te allen tijde een rode kaart.

Blind en Ajax mochten zich gelukkig prijzen dat Puhl de Amsterdammers gunstig gezind was. Blind zou de finale hebben moeten missen wegens schorsing. In 1987 moest hij de Europa Cup 2-finale missen wegens een knieblessure en in 1988 werd hij in de finale van hetzelfde toernooi in de openingsfase van het veld gestuurd. En Ajax had zware tijden moeten doormaken wanneer Blind gisteren een kwartier voor het einde van het veld was gestuurd.

Met Blind bleek het al moeilijk genoeg de voorsprong te handhaven. Tien minuten voor tijd vergiste de bedenkelijk zwakke Reiziger zich in de gretigheid van Scholl. De Duitser stevende recht op het doel af, maar werd door doelman Van der Sar op wonderbaarlijke wijze gestuit. Wanneer Scholl had gescoord, zou met nog tien minuten te spelen de Duitse geest zijn opgeleefd en zou Ajax hebben gewankeld.

Maar het werd geen drama, het bleef een feest. Voor al die Ajacieden en hun aanhang. Vooral voor Frank Rijkaard. Voor hem zal de eindstrijd in het Ernst Happel-stadion van Wenen een bijzonder karakter dragen. In 1990 maakte hij in de Europa Cup het enige en winnende doelpunt voor Milan tegen Benfica. Op 24 mei wacht hem in Wenen de finale tegen zijn oude ploeg. Een bijzonder afscheid temidden van oude en jonge collega's. Wéér die Europa Cup in zijn handen, maar nu als Ajacied. Dat zou mooi zijn.