Aandacht voor slachtoffers

EEN AMERIKAAN van Britse afkomst is onlangs in de staat Georgia ter dood gebracht. Hij was veroordeeld wegens een bijzonder koelbloedige moord en zat al jaren in de dodencel. Tot het bittere einde heeft hij geprobeerd executie te voorkomen met een wanhopig staccato van beroepsprocedures en gratieverzoeken. Een belangrijk keerpunt werd bereikt met de negatieve beslissing van het 'parole board' van Georgia. De voorzitter van deze raad had speciaal contact opgenomen met de weduwe van het slachtoffer, die zelf ternauwernood aan de dood was ontsnapt. Zij drong aan op tenuitvoerlegging van de doodstraf en dat gaf de doorslag.

Zo'n directe vorm van inspraak is zeldzaam, maar illustreert ook voor het strafrechtelijk gematigde klimaat van Nederland de risico's van de grotere aandacht voor het slachtoffer in de strafrechtspleging, die ook hier bestaat. De strafrechtspleging heeft nu juist mede de functie de bestraffing uit te tillen boven de individuele behoefte tot afrekenen, hoe invoelbaar deze op zichzelf ook kan zijn. Het vorige kabinet heeft dan ook terecht de gedachte afgewezen dat de straf mede wordt bepaald door de vergeldingsbehoefte van het slachtoffer.

DEZE GERESERVEERDE opstelling dient er volgens regering en parlement niet toe te leiden dat de betrokkenheid van het slachtoffer bij een strafzaak wordt genegeerd. Met ingang van deze maand is een lang verbeide wet landelijk in werking getreden die de positie van het slachtoffer in de rechtspleging wat moet versterken. Daartoe krijgt de rechter onder meer de mogelijkheid een 'schadevergoedingsmaatregel' op te leggen. De benadeelde ontvangt dan het toegekende bedrag van de staat en deze zorgt verder voor het verhaal op de dader. Zeker zo belangrijk is de boodschap van de wetgever dat politie en justitie meer oog dienen te hebben voor de positie van slachtoffers en hen bijvoorbeeld desgevraagd op de hoogte dienen te houden van de ontwikkelingen in “hun” zaak.

Maar het blijft moeilijk. Bij de justitie is een licht gemor te horen tegen de nieuwe taak als 'incassobureau'. En als de wanbetalers vervangend de cel in moeten, voorspelt dat weinig goeds voor het cellentekort. Ook wat betreft de immaterieel zo belangrijke informatie aan slachtoffers is de dadergerichte oriëntatie van politie en justitie nog maar al te vaak merkbaar. Er bestaat kennelijk nog steeds enige angst de regie kwijt te raken. Terecht wijst de hoogleraar strafrecht Groenhuijsen er in de jongste aflevering van het blad Rechtshulp op dat de nieuwe wet het slachtoffer nu juist niet de status van een zelfstandige partij tegenover de verdachte geeft.

VAN BELANG IS VOORAL de vaststelling dat “rechtsposities geen communicerende vaten zijn”. Verbetering van de rechtspositie van het slachtoffer betekent niet verwaarlozing van de verdachte en zijn rechten. De nieuwe wet vormt wel een extra last voor een overbelast strafrechtelijk apparaat. Dit mag worden erkend. De jongste justitiebegroting spreekt over leuke interdepartementale projecten voor verkeersslachtoffers maar niet over de 33 miljoen gulden die volledige invoering van de slachtofferwet volgens een onderzoeksbureau moet kosten. Toch is dit een overzichtelijk bedrag. Hoeveel is meer aandacht voor het slachtoffer van de misdaad de regering en het parlement werkelijk waard?