Toezicht op infiltratie; Ruzie tussen politie en OM in drugsactie

DEN HAAG, 19 APRIL. Tussen de top van het openbaar ministerie en de politie is onenigheid gerezen over de vraag wie schuldig is aan het ontsporen van een infiltratieactie in een Rotterdamse drugsbende.

Om de onvrede bij de politie te sussen, die vreest dat alleen zij de schuld krijgt van het feit dat vorig jaar bij een undercover-operatie 20.000 kilo softdrugs op de vrije markt zijn gekomen, heeft de voorzitter van het college van procureurs-generaal, A. Docters van Leeuwen, vandaag aangekondigd “er niet voor terug te deinzen de hand in eigen boezem te steken” als blijkt dat het toezicht van de Rotterdamse justitie bij een infiltratieactie tekort is geschoten.

Woordvoerders van VVD, PvdA en D66 in de Tweede Kamer eisen in schrifteljke vragen aan minister Sorgdrager (justitie) opheldering over het bericht dat zij in 1994 als procureur-generaal in Den Haag op de hoogte was van het ontspoorde onderzoek. Bij een poging om met hulp van een informant in een drugsbende te infiltreren zouden bovendien miljoenen guldens zijn kwijtgeraakt die verdiend werden met het zogeheten gecontroleerd afleveren van partijen drugs. Sorgdrager zelf verklaarde gisteravond zich niet te kunnen herinneren of ze als PG van deze zaak afwist. Volgens de regeringsfractie van de VVD kan de betrokkenheid van Sorgdrager als procureur-generaal bij de gevolgde methode gevolgen hebben voor haar positie als minister van justitie.

Docters van Leeuwen is verbaasd over de klacht in politiekringen dat het openbaar ministerie wat al te gemakkelijk de schuld voor dit uit de hand gelopen opsporingsonderzoek legt bij de agenten uit Haarlem en Rotterdam die de infiltratieactie uitvoerden. De politiewoordvoerder in Rotterdam wijst erop dat het onderzoek dat in 1994 werd gehouden, gebeurde onder strikt toezicht van de Rotterdamse officier van justitie De Groot. Docters van Leeuwen zegt dat het lopende onderzoek door de rijksrecherche, dat “is ingesteld in overleg met de minister van justitie”, zich ook richt “op het toezicht” dat op de CID werd uitgeoefend.

Docters van Leeuwen zegt verder “bevreemd te zijn” dat de brief waarin het openbaar ministerie in december vorig jaar vroeg via de hoofdofficieren van justitie en de korpschefs alle omstreden opsporingsonderzoeken in kaart te brengen “kennelijk” bij de politie “in het verkeerde keelgat is geschoten. En vervolgens lijkt het erop dat niet alles op tafel is gekomen”. De OM-topman reageert hiermee op klachten die woordvoerders van de politiebonden vorige week naar buiten brachten over de zogeheten 'doorlichtingsbrief'.

“Als het bericht in NRC Handelsblad van gisteren klopt, is dat niet ongevaarlijk voor minister Sorgdrager”, zegt VVD-woordvoerder Korthals. “Zij zou in dezelfde positie kunnen komen als minister Van Thijn die over zijn vorige functie van burgemeester moest oordelen”, aldus Korthals.

Pag.2: Kamervragen over positie Sorgdrager

Van Thijn trad vorig jaar af als minister van binnenlandse zaken, nadat eerder minister van justitie Hirsch Ballin het veld had geruimd naar aanleiding van de IRT-affaire. Volgens VVD-woordvoerder Korthals is vooral het tijdstip belangrijk waarop Sorgdrager kennis kreeg van de methode: voorafgaand of tijdens de IRT-affaire.

De D66-fractie schat de potentiële gevolgen voor partijgenoot Sorgdrager minder somber in. Tweede Kamerlid Scheltema wijst erop dat de methode die in Rotterdam werd gevolgd volgens de commissie-Wierenga “op zichzelf niet onverantwoord en niet onrechtmatig was”. Dat de politiek daar veel negatiever over dacht, bleek pas later. Maar dat valt Sorgdrager als procureur-generaal niet te verwijten, aldus Scheltema.

De PvdA wil eerst de antwoorden afwachten op de schriftelijke vragen alvorens te speculeren over de politieke gevolgen voor de positie van Sorgdrager. Het CDA laat weten met belangstelling het rijksrecherche onderzoek naar de gevolgde onderzoeksmethode af te wachten. Ook wacht de CDA-fractie de antwoorden af op de vragen die de drie regeringsfracties “zo nodig” aan hun eigen bewindsvrouw wilden stellen, aldus een CDA-voorlichter. Voor een spoeddebat over deze zaak ziet de CDA-fractie voorlopig geen aanleiding.

PvdA, VVD en D66 vragen Sorgdrager of zij op de hoogte was van het Rotterdamse onderzoek, en zo ja, of zij daarover de toenmalige minister van justitie Hirsch Ballin heeft ingelicht. Hirsch Ballin, tegenwoordig Tweede Kamerlid voor het CDA, zegt niet persoonlijk door Sordrager geïnformeerd te zijn. Hij weet niet of zijn ambtelijk medewerkers op de hoogte zijn gesteld door Sorgdrager.

PvdA, VVD en D66 willen verder weten of de Centrale Inlichtingendienst van Haarlem gebruik heeft gemaakt van dezelfde opsporingsmethode als in Rottterdam en Amsterdam. Staatssecretaris Schmitz van justitie was destijds burgemeester van Haarlem en daarmee als korpsbeheerder verantwoordelijk voor de gang van zaken bij de Haarlemse politie.