'Rechtbanken doen te weinig tegen rechtsongelijkheid'

GRONINGEN, 19 APRIL. Rechtbanken en gerechtshoven hanteren verschillende uitgangspunten bij het opleggen van straffen. Dit heeft rechtsongelijkheid tot gevolg. Overleg binnen en tussen rechtbanken over strafoplegging is er in onvoldoende mate.

Dit schrijven prof.dr. J. Fiselier, bijzonder hoogleraar penologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en J. Lensing, universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen in het blad Trema van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.

Rechtbanken volgen bij de strafoplegging hun eigen beleid, dat volgens Fiselier voor een deel wordt bepaald door traditie en cultuur, soms van generatie op generatie overgedragen. Sommige rechtbanken hanteren lijsten met delicten en bijbehorende straffen, anderen hebben weinig op schrift gesteld. Bovendien is bij het bestaan van een lijst niet gezegd dat deze daadwerkelijk wordt gebruikt. Dat geldt ook voor databanken en verzamelingen van eerdere zaken. Probleem hierbij is dat rechters geen tijd hebben deze goed bij te houden, aldus Fiselier.

Het onderzoek had niet als doel de rechtsongelijkheid aan te tonen. “Maar”, zo zegt Fiselier, “als de uitgangspunten al in grote mate verschillen, dan lopen natuurlijk de opgelegde straffen ook uiteen.” Ook uit eerder onderzoek was al gebleken dat straffen in het ene arrondissement soms drie keer zo hoog kunnen uitvallen als in andere.

Fiselier en Lensing ondervroegen voor hun onderzoek de strafcoördinatoren, vaak rechters met veel ervaring, van alle 19 rechtbanken en vijf gerechtshoven. Strafoplegging komt bij justitie wel eens aan de orde op vergaderingen, maar niet systematisch, concluderen de onderzoekers. Volgens Fiselier weten rechters vaak niet welke straffen een collega van dezelfde rechtbank oplegt. Binnen kleine rechtbanken is dit minder het geval. Daar speelt het informele overleg een grote rol. De meeste rechtbanken klagen over de wijze waarop arresten van de gerechtshoven zijn gemotiveerd. Volgens Fiselier en Lensing ligt het voor de hand te veronderstellen dit dat ook ongelijkheid tot gevolg heeft, want bij strafoplegging zijn vooral uitspraken in hoger beroep-zaken de leidraad.

De strafcoördinatoren zijn voorstander van het opstellen van niet-bindende richtlijnen voor het opleggen van straffen. Fiselier onderschrijft het niet bindende karakter van zo'n lijst. “Die moet een variatiebreedte weergeven. Straffen blijft maatwerk.” Fiselier noemt daarom volledige rechtsgelijkheid een utopie. “Maar je kunt er wel veel meer naar streven dan nu het geval is, rechtsongelijkheid tot een minimum te beperken.” Fiselier vindt dat rechters het op zijn minst eens zouden moeten zijn over welke variatiebreedte bij strafoplegging gehanteerd worden. De onderzoekers bepleiten ook de oprichting van een instituut dat de eenheid van informatieverwerking en -uitwisseling moet bevorderen.

Het openbaar ministerie maakte onlangs bekend een computersysteem te gaan ontwikkelen dat de rechtsgelijkheid moet bevorderen. Officieren van justitie kunnen met het zogeheten Beslissing Ondersteunend Systeem (BOS) aan de hand van richtlijnen stap voor stap werken aan de straf-eis voor een delict. Fiselier juicht dit initiatief toe. “Dat vanaf die kant wordt geprobeerd meer consistentie te bereiken, is prima. Rechters moeten hier echter niet op wachten. Zij hebben hun eigen verantwoordelijkheid.” De strafcoördinatoren hebben aangegeven binnenkort met elkaar te willen overleggen over de uitkomsten van het onderzoek.