Hongaren en Polen de Sovjet-rimram voorbij

Concert: Nieuw Synfonietta Amsterdam o.l.v. Lev Markiz, met Kim Kashkashian altviool. Werken van Ligeti, Kurtág, Lutoslawski en Bartók. Gehoord 18/4 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending 13/5 Radio 4 VPRO.

Gisteravond op het slotconcert van de Ligeti-Kurtág serie in het Amsterdamse Concertgebouw, trok het hier nog vrijwel onbekende Altvioolconcert uit 1953-54 van György de meeste aandacht. Kurtág had in 1954 zijn studies op de muziekacademie van Budapest nog niet afgerond en na een kort verblijf in Parijs (1957-1958) besloten het concert en al zijn vroege werken niet meer te laten uitvoeren. Zijn Eerste strijkkwartet uit 1959 is zijn opus 1. Het gevolg was dat men Kurtágs Altvioolconcert, alsmede een vierhandige pianosuite en een Koreaanse cantate, om maar te zwijgen van de toentijds gangbare opgeschroefd vrolijke communistische gebruiksmuziek, alleen maar kende van horenzeggen.

Niettemin verscheen het Altvioolconcert in de jaren zestig bij Editio Musica Budapest en zo klonk het gisteravond dus eindelijk in de Grote Zaal. Verwarring ontstond omdat het programma slechts één deel vermeldde, een allegro molto moderato, terwijl Lev Markiz toch het stokje hief voor nóg een deel: allegro molto.

Het werk zelf is ook al enigszins verwarrend en bepaald onhandig gecomponeerd. De bombastische orkestrale tussenspelen herinneren aan de cultuur van het communistische Hongaarse regime, alleen in het eerste deel bloeit in de altvioolpartij een ontspannen cantilene op, die vaag herinnert aan het eerste deel van Bartóks Tweede Vioolconcert.

Dat frappeert, wanneer men de huidige fragmentarische stijl van Kurtág in aanmerking neemt: het tegendeel van opbloeiend, juist voortdurend afkappend. Helaas klonk de uitvoering te weinig geacheveerd en geraffineerd om het werk te kunnen redden.

Gelukkig bleken de overige composities zorgvuldiger behandeld, zodat met name Witold Lutoslawski's Muzyka zalobna (Treurmuziek) indruk maakte. De programmering van een Pools werk in een Hongaars programma zou kunnen bevreemden, maar is toch logisch wanneer men het feit in aanmerking neemt dat dirigent Jan Krenz de componist in 1955 vroeg een bijdrage te leveren voor de tiende verjaardag van Bartóks dood. Drie jaar later worstelde Lutoslawski er nog aan, alleen al van de Prologue ontstonden liefst acht complete versies!

Er is echter nog een reden (en wat mij betreft een veel betere) om de Treurmuziek tussen al die Hongaarse werken te plaatsen. De eerste uitvoering trok weliswaar weinig aandacht, maar de presentatie in het prestigieuze Herfstfestival van Warschau betekende een doorbraak: het eerste bewijs dat de Polen zich met deze Westers-seriële compositie hadden weten te ontworstelen aan de Sovjet-sfeer en vooral de Hongaren waren zeer onder de indruk. Peter Várnai argumenteerde later in een artikel dat pas door Lutoslavski's Treurmuziek de Hongaarse componisten het aandurfden folklore en Sovjet-rimram te laten voor wat ze waren: uitingen van een onzalig verleden.