Hoe een referendum van speeltje tot molensteen werd

Het leek zo'n royaal cadeau. Ruim een jaar geleden kregen de inwoners van Amsterdam een nieuw democratisch speeltje van hun gemeentebestuur: het referendum. Een 'correctief' referendum zelfs, door burgemeester en wethouders gedefinieerd als “het recht (voor burgers) om aan de noodrem te gaan hangen als hun politieke vertegenwoordig(st)ers een besluit hebben genomen dat in hun ogen verkeerd is”. Hiermee werd op zijn minst de suggestie gewekt dat de opvatting van de kiezers direct de doorslag zou geven bij de besluitvorming.

Dat was nog eens andere koek dan het halfslachtige referendum dat in 1992 werd gehouden over het autoverkeer in de binnenstad, waarbij de mening van de bevolking (voorzover überhaupt naar de stembus gekomen) eenvoudig terzijde werd geschoven. In de nieuwe referendum-verordening klonk de tevredenheid van het college van B en W door: “1. De vraagstelling is helder: burgers kunnen ja of nee tegen het besluit zeggen”. En: “2. Het is volstrekt helder wat met de uitslag wordt gedaan.”

Tot zich daadwerkelijk 30.000 burgers aandienden met het verzoek een raadsbesluit aan een referendum te onderwerpen. Twéé raadsbesluiten zelfs: het ene, over de bebouwing van een weilandje in het oude dorpje Sloten. Het andere, over de opsplitsing van de stad in kleinere gemeenten, die vervolgens met buurgemeenten moeten fuseren in de stadsprovincie. Op 17 mei mogen de Amsterdammers stemmen.

Op slag was alle tevredenheid op het stadhuis verdwenen. Wat vorig jaar nog door het gemeentebestuur werd binnengehaald als 'een waardevolle aanvulling op onze lokale democratie' en zelfs als 'een versterking van onze parlementaire democratie', hangt nu als een molensteen om zijn nek. De Amsterdammers hadden wel een cadeautje gekregen, maar het was eigenlijk de bedoeling dat ze ernaar zouden kijken met hun handen op de rug.

De dames en heren wethouders hebben nog lang hun best gedaan om de dreiging van de noodrem niet erg te vinden, maar afgelopen zaterdag kon wethouder Stadig (ruimtelijke ordening) zich niet meer inhouden. Dat referendum over het weilandje, waar hij 180 woningen op wil bouwen, vindt hij maar onzin, zo liet hij weten in een interview in het Nieuws van de Dag. “Het kan toch niet zo zijn dat iedereen voor zijn eigen achtertuinproblemen een referendum kan organiseren. Dan gaat het de verkeerde kant op met Amsterdam.”

Ja hoor eens, wij hebben niet gevraagd om een referendum, waardoor “de participatie van burgers bij het bestuur van de stad toe(neemt) en de legitimiteit van het gekozen bestuur (wordt) vergroot.” (De Amsterdamse referendum-verordening laat zich echt als een reclamefolder lezen.) Dat hebben ze op het stadhuis zelf verzonnen, omdat zij, zoals alle politici tegenwoordig, als de dood zijn dat 'de politiek' straks alleen nog maar een scheldwoord is. De VVD komt de eer toe, als enige niets in dit voorstel te hebben gezien.

Een kind had kunnen voorspellen dat het referendum in de eerste plaats zou worden gebruikt door mensen die allang, via hoorzittingen, bezwaarschriften of wijkopbouworganen, hun stempel zetten op de besluiten die in deze stad worden genomen. Dit is voor hen weer een nieuwe mogelijkheid om de besluitvorming van een onzeker gemeentebestuur te frustreren. Dat is natuurlijk wat Stadig inmiddels ook heeft begrepen.

De wethouder wilde zaterdag ook wel even uitleggen, waar het referendum volgens hem dan wèl voor is bedoeld. Voor “ècht belangrijke besluiten, zoals bijvoorbeeld voor de vorming van een stadsprovincie”, zei hij. Nee, wethouder Stadig, daar is het referendum nou net niet voor bedoeld - en dan laat ik nog buiten beschouwing dat dat dan maar 'volstrekt helder' in de referendum-verordening had moeten staan. Dat is juist de grote vergissing van Amsterdam geweest. De raadsleden hadden beter hun tong kunnen afbijten, die middag dat ze het besluit om Amsterdam in een provincie te laten opgaan, 'referendabel' verklaarden. Want vanuit het kabinet is inmiddels luid en duidelijk te kennen gegeven dat Amsterdam hoog of laag kan springen, maar dat de stadsprovincie hoe dan ook doorgaat. Staatssecretaris Van der Vondervoort was nog vriendelijk, toen ze zei dat ze de uitslag van het Amsterdamse referendum als “een advies” wilde beschouwen.

“Het is volstrekt helder wat met de uitslag wordt gedaan.” Inderdaad. En mocht ten stadhuize nog worden getwijfeld aan de helderheid, dan moeten ze de brief van minister Dijkstal (binnenlandse zaken) nog maar eens nalezen. Die schreef in januari: “Het referendum waarbij de burger met verkeerde verwachtingen zijn stem uitbrengt, levert eerder een gevaar op, dan dat het een bijdrage levert aan de verkleining van de afstand tussen burger en bestuur. In dit verband vraag ik u met name zorgvuldig om te gaan met het onderwerpen aan een referendum van kwesties, waarbij de eindbeslissing niet tot de competentie van het gemeentebestuur behoort.”

Zo blijft voor het gemeentebestuur niets anders over dan de bevolking ervan op de hoogte te stellen dat het referendum over de stadsprovincie zal worden afgelast wegen gebrek aan betekenis, de 800.000 gulden referendum-kosten weg te schrijven onder de post 'mislukt', en de Amsterdammers te smeken de legitimiteit van de gekozen bestuurders te vergroten door te stemmen over de bebouwing van een weilandje in Sloten.

Het zal nog moeilijk genoeg zijn, de bevolking daartoe over te halen. Want wat zegt wethouder Stadig in datzelfde interview? Als de bevolking tegen bebouwing van het weilandje stemt, goed, dan gaat het raadsplan voorlopig niet door. “Maar, dat weilandje loopt niet weg, en ik sluit niet uit dat men dan over vijf of tien jaar weer met precies hetzelfde plan komt.” De regering van Amsterdam wacht gewoon tot ze een ander volk heeft.

In de algemene beschouwingen van vorig jaar, zei PvdA-fractievoorzitter Eberhard van der Laan nog: “Je hoeft Amsterdammers echt niet per se gelijk te geven, als je ze maar serieus neemt.” Zijn partijgenoot Stadig zat waarschijnlijk net even weg te dromen, toen hij dat zei. Hij mag blij zijn dat burgers zich nog zo betrokken voelen bij het gemeentebestuur dat ze over hun achtertuinproblemen willen komen stemmen.