Gemeente Den Haag akkoord met renovatie van Gemeentemuseum

ROTTERDAM, 19 APRIL. Burgemeester en wethouders van Den Haag zijn gisteren akkoord gegaan met het Plan van Aanpak voor de restauratie van het Haags Gemeentemuseum. Het Plan behelst onderhouds- en herstelwerkzaamheden en de aanleg van een casco voor een kostuumkelder onder de binnentuin van het museum. De totale kosten van het Plan zijn geraamd op ruim 51 miljoen gulden.

Het Haags Gemeentemuseum, gebouwd door architect H.P. Berlage en in 1935 voor het publiek opengesteld, moet van het dak tot de kelder worden opgeknapt. Volgens G.J. de Rook, woordvoerder van het museum, verkeert het gebouw 'in deplorabele staat'. “In de zestig jaar dat het bestaat is het museum alleen incidenteel opgelapt.”

Het gebrek aan structureel onderhoud doet zich nu pijnlijk voelen. “Het ijzer in het beton is verroest, de muren vertonen scheuren en het glazen dak lekt”, aldus De Rook. Ook de brandmelders voldoen niet meer aan hedendaagse eisen. Volgens De Rook voorzien de renovatieplannen ook in een aanpassing van de airconditioning en het verwarmingssysteem naar een concept dat Berlage bij de bouw voor ogen stond. Al het asbest in het dak zal verwijderd worden.

Van het bedrag van 51 miljoen gulden is 43,2 miljoen bestemd voor het achterstallige onderhoud. Het ministerie van binnenlandse zaken zal driekwart van deze kosten voor haar rekening nemen. Voor de kostuumkelder - kosten circa 2,4 miljoen gulden - moet externe financiering worden gezocht. Het college zal proberen van het ministerie van OCW een extra monumentensubsidie te krijgen.

Het Plan van Aanpak is gisteren naar de raadscommissies voor Cultuur en Financiën gestuurd. Zij oordelen op 23 april en 4 mei over het voorstel. De gemeenteraad beslist in mei over het Plan. Als zij akkoord gaat, beginnen de restauratiewerkzaamheden dit najaar.

De restauratie zal volgens het Haags Gemeentemuseum in drie etappes verlopen. “Bij toerbeurt zal steeds eenderde van het gebouw - van de nok tot de begane grond - voor de bezoekers gesloten zijn. In de rest van de ruimte zal de collectie voor het publiek te zien zijn.”