Dijkstra: saxofoon spelen alsof je tegen een kristallen glas tikt

Rietblazer Jorrit Dijkstra krijgt vandaag de Podiumprijs 1994 uitgereikt in het Bimhuis in Amsterdam. Van het prijzengeld van 5000 gulden, neemt Dijkstra zich voor rijlessen te nemen.

Jorrit Dijkstra Trio. Prijsuitreiking en concert: 19/4, Bimhuis Amsterdam. Gastoptredens van Benoît Delbecq (piano) en Lothar Ohlmeier (sax). CD's te bestellen bij BVHaast: 020-6239799.

Jorrit Dijkstra een bescheiden muzikant noemen is een understatement. Niet alleen verbaal, maar ook als saxofonist dringt hij zich zelden aan zijn gehoor op. Hoewel hij leiding geeft aan een trio, dat merendeels stukken van zijn hand speelt, is het hem te doen om het groepsgeluid. “Een eindeloze solo begeleid door bas en drums spreekt mij niet aan, behalve misschien bij een genie. In mijn stukken probeer ik zoveel mogelijk ruimte te scheppen voor gezamenlijke improvisatie - die ook niet te lang moet duren.”

Deze eigenschap zal een van de redenen zijn geweest van de Stichting Jazz in Nederland (SJIN) om Dijkstra (Eindhoven, 1966) de Podiumprijs te geven. In haar rapport roemt de jury vooral Dijkstra's brede muzikale oriëntatie, van bebop tot wereldmuziek, en het vermogen tot integratie van deze invloeden tot 'een eigenzinnig geheel', maar dat kan van meer jonge Nederlandse instrumentalisten en componisten worden gezegd.

Het Jorrit Dijkstra Trio, met op bas Mischa Kool en op drums Steve Argüelles, bestaat bijna vijf jaar en maakte in 1992 een titelloze debuut-cd die lovend werd ontvangen. Precies één jaar geleden werden opnames gemaakt voor een tweede cd, Whistle, die nu pas uitkomt. Dijkstra: “Ik had geen zin om hem wéér zelf te produceren. Toen ik hoorde dat ik die prijs zou krijgen, heb ik Willem Breuker bij BV Haast gebeld. De deal was gauw rond.”

Dijkstra begon met muziek op zijn achtste. Na vier jaar dwarsfluit schakelde hij over op altsaxofoon. Al snel ontdekte hij in Valkenswaard, waar hij opgroeide, temidden van alle fanfare-orkesten een jazzcombo-workshop onder leiding van Charlie Green. Dat mondde uit in een privé-les toen Dijkstra de enige deelnemer bleek. Daarna belandde hij op het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam, waar bebop-tenorist Tim Armacost zijn belangrijkste docent was. In Banff, Canada volgde hij een zomercursus met o.a. Steve Coleman, en vroeg aldaar de Britse slagwerker Argüelles om met hem een groep te vormen.

Dijkstra's stukken op de twee cd's van zijn trio klinken uitnodigend en nooit ver gezocht - een euvel waaraan sommige hedendaagse improvisatiemuziek lijdt. “Toch gaat het schrijven bij mij moeizaam”, zegt Dijkstra. “Ik heb wel melodieën in mijn hoofd, maar die duren vaak niet langer dan een maat of vier. Dan moet ik er nog een stuk van maken met een kop en een staart. Daarvoor mis ik wel eens de discipline.”

Op Whistle staan ook bewerkingen van volksmuziek uit Bulgarije en Roemenië, beiden in een zwierige vijfkwartsmaat, waarover het volgens de saxofonist lastig soleren is. De Brit Stuart Hall die als gast optreedt, speelt hier viool. Dijkstra, luisterend naar zijn eigen cd, veert op als Hall zijn kwarttoongitaar hanteert. Dat is een gitaar met twee keer zoveel fretten op de hals (ook tussen de hele en de halve toon in). Halls voorzichtige akkoordjes klinken niet vals, eerder 'dronken'. “Hij is een van de weinige gitaristen die niet voortdurend alle gaten dichtspeelt”, zegt Dijkstra. “Zijn manier van begeleiden past goed bij het trio.”

Compleet uit zijn dak, zoals dat heet, gaat Dijkstra vrijwel nooit in zijn solo's. “Dat gegil op een altsax past mij niet. Ik probeer liever een heldere toon te spelen. Alsof je een kristallen glas aanslaat.”