De fluwelen stem van Radio Oranje

Haar achternaam werd nooit genoemd, want haar beide broers bevonden zich nog in bezet gebied en zouden gevaar hebben gelopen als hun familieband met haar bekend was geworden.

Ze heette alleen maar Jetje, en onder die naam was ze het meisje dat met de spottende, troostende en moedgevende liedjes in het radiocabaret De Watergeus diepe indruk maakte op degenen die stiekem naar de verboden Engelse zender durfden te luisteren. Na de oorlog werd daar liefkozend Jetje van Radio Oranje van gemaakt. Nog vaak moest ze nadien de herkenningsmelodie uit die tijd zingen: “Wij zijn trots en vol moed / want het volk van Neêrland houdt zich goed / 't kleine Neêrland weert zich dapper als een reus / 't is Oranje, 't blijft Oranje is de leus / van u, van mij en van De Watergeus!”

Haar vader, de filmdistributeur Jo Paerl, was in de meidagen van 1940 met zijn vrouw en zijn achttienjarige dochter toevallig in Brussel voor de opnamen van een nieuwe Nederlandse speelfilm die Van het een komt het ander zou heten, maar die nooit meer is gemaakt. Na de capitulatie slaagden ze erin op een van de laatste vluchtelingenschepen naar Engeland te ontkomen. Jo Paerl kwam in Londen aanvankelijk niet verder dan een baantje als portier, terwijl dochter Jettie een kantoorbetrekking vond. Tot hij een Nederlandse tekst maakte op We'll meet again (“We zien elkaar weer, maar wanneer, ja wanneer?”) die op een feest voor de zojuist opgerichte Prinses Irene Brigade werd gezongen door zijn dochter. Iemand van de BBC was erbij en zei: “Waarom gebruiken jullie dat meisje niet voor de Nederlandse uitzendingen?”

Het meisje werd de stem die, dankzij het inlevingsvermogen van haar schrijvende vader, precies wist te zingen wat de luisteraars in het bezette vaderland wilden horen. Hij schreef zijn teksten vaak op bestaande melodietjes, zodat ze sneller zouden worden herkend en makkelijker konden worden meegezongen. Zo bouwde hij De olieman van Louis Davids om tot een relaas over de topconferentie die Churchill en Roosevelt in 1941 midden op zee belegden over de Amerikaanse inmenging in de strijd: “Aan 't einde van de tocht hadden ze niks gevist / maar het lot van Adolf Hitler was beslist - ploem ploem ploem...” En diens Weekend in Scheveningen veranderde in een hoopvolle beschrijving van de bevrijdingsdag die eens zou komen: “Dan geven wij elkaar de hand, Oranje boven!” Maar ook het gehate Horst Wessel-lied (“Die Fahne hoch, die Reihen fest geschlossen!”) kreeg een geheel andere strekking, waarin onder het honend verbasterde motto “Alles, alles über Deutschland” geestdriftig verslag werd gedaan van de geallieerde bombardementen op het nazi-rijk: “Van de fabriek van Krupp / staat alleen nog maar de stoep!”

Met haar fluwelen timbre en haar gecultiveerde dictie - want ondanks de Duitse stoorzenders moest alles woord voor woord verstaanbaar zijn - sprak het geheimzinnige zangeresje tot de verbeelding van iedereen die haar hoorde. Op de zojuist verschenen cd Jetje van Radio Oranje zijn heel wat van die liedjes te horen, na de authentieke aankondiging van de omroeper: “Hier Radio Oranje met een buitenmodelsuitzending voor de vrije zaterdagavond. De Watergeus vaart!” Ze zingt unverfroren de lof van de geallieerde bommengooiers, steekt de draak met NSB'ers en moffen, verplaatst zich in de ongerustheid van ouders wier zoon op zee is, en vertolkt met ingehouden adem het ontroerende Kindervragen, waarin een klein meisje haar vader vraagt waarom buurman een driehoekje op zijn borst draagt, terwijl heel veel andere mensen twee driehoekjes door elkaar op hun jas hebben.

Alle teksten zijn van Jo Paerl, op één nummer na: het legendarisch geworden Op de hoek van de straat (staat een NSB'er). Hij hoorde het refrein van een Engelandvaarder, die vertelde dat het in bezet gebied door iedereen werd geneuried - nota bene op een deuntje van de componist Jonny Heykens die zich tot de NSB had bekend. Paerl schreef er nog wat regels bij en liet het zijn dochter met een kinderlijk stemmetje zingen, zodat het er des te treiteriger van ging klinken.

De Watergeus heeft overigens maar twee jaar bestaan. Eind 1942 verordonneerde de Nederlandse regering in ballingschap dat er een eind aan moest worden gemaakt. Nu de berichten uit het vaderland steeds grimmiger werden, paste de toon van het cabaret niet meer bij de ernst van de situatie. De heren hadden trouwens al eerder met opgetrokken wenkbrauwen naar de uitzendingen geluisterd; cabaret stond voor hen nu eenmaal gelijk aan kermisvermaak - en als ze al ooit naar een theater waren geweest, dan was dat toch zeker geen cabaretvoorstelling geweest.

“Bij ons thuis zat Jetje onder de grond in de huiskamer,” aldus drs. D.J. da Silva in het boekje bij de cd. “Onder een luik. Rode stoel opzij. Kleed omslaan. Luik open. Verlengsnoer uitrollen en in stopcontact (-). Op de grond liggend, samen, proberen de liedjes te verstaan. Wel eerst de kinderen naar bed. Want je wist maar nooit...” Later heeft hij Jettie Paerl dat luik laten zien, maar hij kreeg toen niet de indruk dat het tot haar doordrong: “Ze heeft niet ècht kunnen begrijpen wat ze in de eerste bezettingsjaren voor ons heeft betekend... Ze heeft niet ècht kunnen begrijpen hoe we ons daar, op de grond liggend, hebben verkneukeld: dat hebben 'we' ze nou 's lekker gezegd, daar kunnen ze 't mee doen. En hoe we hebben liggen grienen soms...”

Da Silva leeft niet meer. De cd, met zijn hoestekst, is een heruitgave van een langspeelplaat uit 1969 - zonder dat Jettie Paerl, nu 73, daarover door de platenmaatschappij EMI is geïnformeerd. Ze hoorde het pas toen een kennis haar er dezer dagen enthousiast over opbelde. Het is mogelijk dat EMI, in formeel-juridisch opzicht, het recht had zonder toestemming tot hergebruik van het materiaal over te gaan. Maar voor de zangeres is dit het zoveelste bewijs van een schrijnend gebrek aan respect en hoffelijkheid voor oudere artiesten. Waar iemand met haar reputatie in een land als Engeland met alle egards zou worden behandeld, vindt men het hier blijkbaar niet nodig om haar op de hoogte te stellen van een uitgave op cd. Ze hebben haar niet eens een exemplaar gestuurd. En dan te bedenken dat ze zelf nauwelijks is ingegaan op alle verzoeken om, ter gelegenheid van de vijftigjarige bevrijding, nog weer eens de liedjes van vroeger te zingen.

“Het is repertoire waar met de uiterste zorgvuldigheid mee moet worden omgesprongen”, zegt ze. “Het zijn kwetsbare liedjes - en ook de mensen voor wie ze nog wat betekenen, zijn erg kwetsbaar geworden. Ik zou niet graag willen dat dat in een holadijee-sfeer terecht kwam. Al was het maar uit eerbied voor mijn vader, die al die liedjes heeft geschreven en daar niet eens ooit een lintje voor heeft gekregen. De grootste sukkels uit die tijd hebben een lintje gehad. Hij niet.”