De fatalistische zienswijze

Een van de manieren om de oorlog in Joegoslavië te beoordelen - afgezien van de vraag of en waarom die langgerekte gebeurtenis de rest van het Westen iets aangaat - wortelt in het axioma dat het daar om 'Balkanmensen' gaat. Die moeten, of ze willen of niet, 'twee keer per generatie' elkaar collectief te lijf. Wat de buitenwereld ook doet of laat, die ijzeren wet van de Balkan dwingt tot de slachtpartijen waarvan we nu dank zij de televisie, de eerste van puinhoop tot puinhoop en van dode tot dode kunnen volgen. Niet die gebeurtenis zelf is de oorzaak van onze verre betrokkenheid; het ligt aan de moderne communicatiemiddelen. De 'mentaliteit van de Balkan' valt niet te veranderen, en de televisie kan ook niet meer worden afgeschaft. Uit deze twee gegevens kan maar één conclusie worden getrokken: de rest van het Westen is gedoemd, machteloos getuige te zijn, afgezien van enige humanitaire, en tot vergeefsheid gedoemde bemiddelende hulp. Ik noem dit de fatalistische zienswijze.

Zonder de auteur te verdenken van de bedoeling daaraan bijval te willen verlenen, veronderstel ik dat Mattijs van de Port met zijn boek, zijn proefschrift Het einde van de wereld, Beschaving, redeloosheid en zigeunercafés in Servië (Amsterdam 1994) de fatalisten welkome munitie biedt. De heer Van de Port is tot de keuze van zijn onderwerp gekomen door een verblijf in Joegoslavië, in Novi Sad, waar hij volgens de flaptekst van zijn boek onderzoek wilde doen 'naar de wilde en zinderende samenkomsten van de Serviërs en zigeuners in de zigeunercafé's'. Vier maanden later brak de oorlog uit. Zijn waarnemingen van de strijd hebben hem doen afvragen wat mensen tot een volstrekt redeloos gedrag beweegt. Evenmin als zijn talrijke voorgangers door de eeuwen heen heeft hij daarop het definitieve antwoord gevonden. Hij komt tot zes wetenschappelijk geformuleerde 'suggesties'. Daarbij prijs ik de auteur omdat hij, alle wetenschap terzijde, of misschien juist uit wetenschappelijke overwegingen laat weten dat hij van de Servische 'wildheid' gecharmeerd was. (Het zou, mutatis mutandis, niet anders gesteld zijn met een wetenschapper die het diepe Zuiden van de Verenigde Staten had bestudeerd en liet weten, een liefhebber van country and western-muziek, revolvers en ongetemde paarden te zijn. Dergelijke inlichtingen zijn in wetenschappelijke publikaties onmisbaar.)

“Waardoor laten mensen zich verleiden wanneer zij overgaan tot de omverwerping van alles wat wij, en ook zij, als redelijk, beschaafd en humaan beschouwen?” vraagt de schrijver zich aan het slot af. “Of meer concreet: wat verleidt de scherpschutter tot het neerschieten van volslagen onbekenden? Wat verleidt de militieman tot het afvuren van mortiergranaten op een ziekenhuis, een rij wachtenden voor een bakkerij, een bus met kinderen?” Op die vragen is geen eenvoudig antwoord mogelijk, en vervolgens komt hij tot zijn 'suggesties'.

De wetenschappelijke waarde daarvan kan ik niet beoordelen. Maar behalve de wetenschappelijke is er ook een politieke. Deze niet uitgesproken betekenis, de waarde die de schrijver misschien niet eens heeft beseft, is dat hier voor de strijdende partijen een uitzonderingspositie wordt geschapen. Op de Balkan 'is alles nu eenmaal anders'.

Ik zal dat niet tegenspreken maar er een citaat tegenover stellen: “We gingen over tot de laatste aanval. Ja, nog één keer stormden we over de hele breedte voorwaarts. De laatste man kwam uit zijn dekking, we raasden door het bos, we renden over de besneeuwde velden, we schoten de verraste tegenstander overhoop, we dreven ze als hazen voor ons uit, we staken de huizen in brand en bliezen de bruggen op, we smeten de lijken in de waterputten en gooiden ze handgranaten achterna. [..] Reusachtige rookkolommen markeerden onze weg, we hadden een brandstapel aangestoken, daar brandde meer dan het dode materiaal, daar brandden onze hoop en ons verlangen, daar brandden de wetten van de burgermaatschappij, de regels en de waarden van de beschaving. Alles wat ons nog aan woorden en geloof en denkbeelden was overgebleven, ging daar in stof en kreunen ten onder.”

Dit is geen dythirambe uit een Servisch zigeunercafé of een fragment uit het werk van een schrijver die zijn ziel en zijn zaligheid aan Karadzic, Izetbegovic of Tudjman heeft verkocht. Het staat in de roman Die Geächteten van Ernst von Salomon. De schrijver heeft gevochten in de Duitse vrijkorpsen die na de Eerste Wereldoorlog in de Baltische gebieden de grenzen van het oude Rijk verdedigden, hij was betrokken bij de moord op Walter Rathenau, heeft zich niet met Hitler ingelaten en veel later nog van zich doen horen als auteur van de eerste echte naoorlogse Duitse bestseller, Der Fragebogen. Mooi proza, doordrenkt van een romantische hang naar zelfvernietiging, al vroeg door Menno ter Braak geprezen en veertig jaar later door Jean-Paul Sartre nog eens op zijn filosofische inhoud getoetst.

Niettemin, toen Salomon en zijn makkers daar tegen Poolse, Litouwse en Letse boeren in actie gingen, beriepen ze zich op 'de natie'. Een van hun grootste vechtersbazen, Leo Schlageter, is daarna nog door de nazi's tot hun martelaar uitgeroepen. Strikt wetenschappelijk bezien bewijst het niets, maar het hoort tot de talrijke aanwijzingen dat ultranationalisme en een in de praktijk gebrachte hang naar 'etnische zuiverheid' tot langdurige, grootscheepse misdadigheid kunnen leiden, ofschoon het treffen van de voorbereidingen gepaard kan gaan met interessante filosofische overwegingen en meeslepende muziek.

Wie dit eenmaal heeft erkend komt misschien gemakkelijker tot de volgende stap die tot de fatalistische zienswijze leidt: door hun etnisch lot gestempeld, kunnen die mensen niet anders, ze moeten twee maal per generatie elkaars huizen in brand steken. Het verklaart niet het probleem waarom er dan nog steden van een paar eeuwen oud tot een paar jaar geleden overeind zijn gebleven, maar afgezien daarvan: zo moeten ook de Sicilianen in de mafia (ze zijn trouwens door Mario Puzo op die manier beschreven), zo moet in Mississippi de Ku Klux Klan zich af en toe nog een lynching kunnen veroorloven, en zo kan ook in buurten waar dat traditioneel nu eenmaal niet te vermijden valt, van tijd tot tijd een pogrom worden verwacht. Het is beter dat de rest van de wereld dan afstand bewaart, al valt het de slachtoffers niet uit te leggen wat precies het verschil is tussen een pogrom en een etnische zuivering.