Claim tegen Staat legt lacune in rechtsstelsel bloot

AMSTERDAM, 19 APRIL. Een dispuut over een bankkrediet van enkele tonnen is uitgelopen op een claim van tenminste 147 miljoen gulden tegen de Staat der Nederlanden. De eiser is de firma Dombo en het verwijt aan de Staat betreft onrechtmatige rechtspraak. Niet alleen vanwege de hoogte van het bedrag heeft deze vordering zeldzaamheidswaarde: in Nederland is sinds de oorlog nog niet een vergoeding voor een onjuiste rechterlijke uitspraak toegewezen. Maar in het geval van Dombo heeft het Europees Hof voor de mensenrechten in Straatsburg vastgesteld dat de firma inderdaad oneerlijk is behandeld door de Nederlandse rechter.

De affaire begon bijna vijftien jaar geleden toen de firma Dombo te Nijmegen - “topmerk in jongenskleding” - samen wilde gaan met de fima Olly te Alkmaar - dito in meisjeskleding - en daartoe haar kredietfaciliteiten wilde uitbreiden. Op sinterklaasdag 1980 dacht Dombo-directeur Van Reijendam dat geregeld te hebben met directeur Van Workom van het Nijmeegse bijkantoor van zijn bank, de toenmalige NMB. Maar toen puntje bij paaltje kwam betwistte de bank dat er zo'n afspraak was en zegde vervolgens de kredietverschaffing zelfs geheel op. De deal met Olly ging niet door en Dombo liep daarop naar de rechter en eistte schadevergoeding van de bank.

De moeilijkheid was dat het goeddeels een kwestie was van het woord van de een tegen dat van de ander. De moeilijkheid was helemaal dat het tot voor kort niet was toegestaan om als partij in een civiel geding als getuige te worden gehoord. Het argument was dat verklaringen onder ede van de direct belanghebbenden in een zaak te riskant zijn. Het verbod om als getuige in de eigen zaak op te treden stond overigens niet met zoveel woorden in de wet, maar was daaruit afgeleid door de rechter, die er weer allerlei nuances op had aangebracht. In 1988 heeft de wetgever tenslotte uitdrukkelijk bepaald dat ook de procespartijen wel degelijk als getuige kunnen optreden.

Daar had Van Reijendam niets aan: hij was nog onder het oude recht gaan procederen en de rechter weigerde hem als getuige toe te laten omdat hij als directeur / aandeelhouder te vereenzelvigen was met het bedrijf. De directeur van het bankfiliaal werd echter wèl als getuige gehoord. Hij was immers slechts werknemer van de bank en gold daarom niet als “onbekwaam”. Van Reijendam liet zich nog vervangen als directeur, maar de rechter vond dat dit een schijnhandeling was en bleef hem weigeren als getuige. De zaak werd uitgevochten tot de Hoge Raad maar deze bevestigde de weigering. Ook al had de advocaat-generaal - de onafhankelijke adviseur in cassatiezaken - bepleit in dit geval een voorschotje te nemen op de nieuwe wet.

Dombo liet het er niet bij zitten en deed beklag bij het Europees Hof voor de mensenrechten. Met de stem van de Nederlandse raadsheer S.K.Martens tégen bepaalde dit hof eind 1993 dat Dombo in strijd met het fundamentele recht op een eerlijk proces was behandeld. Directeur Van Reijendam en bankdirecteur Van Workom hadden tijdens de omstreden onderhandelingen over kredietfaciliteiten “op gelijke voet” met elkaar gesproken. Dat diende ook in de procesvoering tot uitdrukking te worden gebracht.

Dombo kreeg dus toch gelijk, maar de schadevergoeding vormde een anticlimax. Het Europese hof kende slechts 40.000 gulden toe voor proceskosten. Meer zat er niet in omdat het niet gezegd was dat als Van Reijendam wél had mogen getuigen, zijn vordering ook zou zijn toegewezen. Het was met andere woorden niet uit te sluiten dat de rechter uiteindelijk toch meer geloof zou hebben gehecht aan de verklaring van de bank.

De termijn voor heropening van het geding Dombo-NMB is inmiddels allang verstreken. En een uitspraak van het Hof in Straatsburg vormt ook niet een grond voor herziening, dat is de bijzondere procedure voor het geval zich nieuwe feiten hebben voorgedaan. Dombo heeft nu het ontbreken van een alternatief aangegrepen om de Staat dan maar direct aansprakelijk te stellen voor de in Straatsburg geconstateerde schending van rechtsbeginselen. Een van de grondslagen van de forse claim is dat Olly het na het noodgedwongen afspringen van de fusie heel aardig heeft gedaan zodat Dombo een forse winst is misgelopen. Directeur Van Reijendam zegt dat hij nu voor rechtsherstel moet procederen van een bijstandsuitkering.

Het zal echter nog niet meevallen aan te tonen dat alle tegenslag rechtstreeks valt toe te schrijven aan die ene rechterlijke misser. Tot dusver heeft de Staat iedere aansprakelijkheid afgewezen. Een achteraf verkeerde uitleg betekent nog niet dat er sprake is van een toerekenbare rechterlijke tekortkoming. De Hoge Raad heeft de deur voor dit soort claims op een kiertje gelaten, juist voor gevallen waarin de rechter in strijd heeft gehandeld met het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dat is precies wat hier is vastgesteld, zegt Dombo triomfantelijk. Maar de Nijmeegse hoogleraar S. Kortmann, die zich speciaal in het thema van de rechterlijke aansprakelijkheid heeft verdiept, noemt deze opening van de Hoge Raad “een wassen neus”. Eigenlijk wil de rechter er hier gewoon niet aan. Kortmann heeft kritiek op deze houding. Hij wijst op België, dat een vergelijkbaar rechtsstelsel heeft. Daar is de aansprakelijkheid van de staat twee jaar geleden wel royaal erkend in een geval waarin een bedrijf ten onrechte door de rechter failliet was verklaard.

Alle deskundigen zijn het er in elk geval over eens dat de Dombo-zaak een lelijke lacune in de Nederlandse wet heeft blootgelegd. Vonnissen moeten kunnen worden herroepen wanneer in Straatsburg is vastgesteld dat zij in strijd zijn met het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dit verdrag gaat volgens onze grondwet nota bene boven het nationale recht.