CDA is monopolie van het midden kwijt

Oud-CDA-senator J. Kiers betoogde op de Opiniepagina van 5 april dat de redding van het CDA in het midden ligt. S.W. Couwenberg en ex-Tweede Kamerlid Ton de Kok zijn het niet met hem eens.

Een andere grote verliezer van de laatste verkiezingen was de PvdA. Marijke Linthorst betoogt dat deze partij de opgeklommen PvdA-stemmers in de steek heeft gelaten en ziet dat als een belangrijke achtergrond van het PvdA-echec.

De redding van het CDA ligt in herstel van zijn middenpositie, betoogt oud-CDA-politicus J. Kiers in NRC Handelsblad van 5 april. Dit is een stellingname die vraagt om enige reactie. Het CDA heeft zich namelijk van stonde af aan op principiële gronden gedistantieerd van een politieke middenpositie. Toen prof. W. van der Grinten in 1978 verklaarde voor het CDA te kiezen omdat die partij in zijn ogen evenals de KVP een typische middenpartij was, werd hij onmiddellijk terecht gewezen door de toenmalige voorzitters van ARP en KVP. Zo'n middenpositie, zo stelden zij nadrukkelijk, is onverenigbaar met de evangelische inspiratie van het CDA. Dit standpunt is nadien telkens opnieuw herhaald door CDA-ideologen zoals A.M. Oostlander, J. van Gennip e.a. Bij de voorbereiding van het nieuwe beginselprogramma van het CDA stelden twee CDA-ideologen dat de vraag of het CDA een brede middenpartij moet worden of een partij moet blijven die onverkort vasthoudt aan haar christelijke wortels, bepalend is voor de discussie over dit programma. Opnieuw werd toen voor het laatste gekozen (zie NRC Handelsblad 6 april 1992: Ideeëngoed van Kuyper slaat weer aan. Profiel van twee CDA-ideologen.) In zijn boek Samen op weg (1991, pp. 144-146) verklaarde de toenmalige CDA-premier R. Lubbers zelfs te gruwen van zoiets kwalijks als een centrumpositie.

Het CDA heeft zich ook steeds verzet tegen een conservatieve signatuur, omdat ook die de christendemocratische identiteit zou aantasten. Ik verwijs hiervoor bijvoorbeeld naar bijdragen in Christen-Democratische Verkenningen in 1990 waarin CDA-voormannen om die reden stelling namen tegen opneming van conservatieve partijen in de christendemocratische EVP-fractie in het Europees Parlement. Na toelating van die partijen onder druk van de Duitse CDU heeft het CDA zich hierbij niettemin neergelegd. Met links wil het CDA per se ook niet geïdentificeerd worden, maar in dit geval niet zozeer om principiële, maar om electorale redenen. Het CDA pretendeert een eigen weg te gaan, los van posities als links, rechts en centrum. Het heeft echter nooit duidelijk kunnen maken wat die eigen weg, politiek gezien, dan wel inhoudt. De historicus H. Righart heeft het CDA op één lijn gesteld met D66, beide het produkt van de ontideologisering van de politiek. Het CDA wil echter evenmin iets weten van een pragmatisch-politieke opstelling zoals beleden door D66.

Zolang het CDA aan de macht was, was het markeren van die eigen christendemocratische weg niet zo'n probleem. Dank zij zijn machtspositie trok het veel politiek en bestuurlijk talent aan. Dat stelde die partij in staat politiek te scoren met een pragmatisch christendemocratisch beleid, dat tevens voorzien was van een aantrekkelijk evangelisch keurmerk. De Hollandse pragmatische koopmanstraditie ging daarin prachtig hand in hand met de niet minder Hollandse confessionele domineestraditie. Nu het CDA in de oppositie zit, kan het niet langer op deze succesvolle politieke formule terugvallen en is het markeren van zijn politieke identiteit een lastig probleem geworden. Temeer is dit het geval omdat het jarenlang zo vermaledijde politieke centrum waar het CDA ondanks de officieel beleden evangelische inspiratie in feite in opereerde, inmiddels het politieke speelveld is geworden waar de vier grote partijen in ons land zich nu alle ongegeneerd ophouden. Die positie waarin gestreefd wordt naar een integrerende aanpak van politieke dilemma's en tegenstrijdige belangen en een synthese van tegengestelde organisatie- en beleidsprincipes, blijkt nu namelijk de beste politieke scoringsmogelijkheden te bieden.