CDA is gevangene van evangelische grondslag

Oud-CDA-senator J. Kiers betoogde op de Opiniepagina van 5 april dat de redding van het CDA in het midden ligt. S.W. Couwenberg en ex-Tweede Kamerlid Ton de Kok zijn het niet met hem eens.

Een andere grote verliezer van de laatste verkiezingen was de PvdA. Marijke Linthorst betoogt dat deze partij de opgeklommen PvdA-stemmers in de steek heeft gelaten en ziet dat als een belangrijke achtergrond van het PvdA-echec.

Diep in ons hart wisten we het ook wel. Een politieke partij die politieke macht wil uitoefenen maar zich baseert op het evangelie als grondslag, komt vroeg of laat in de problemen. En de problemen waarin het CDA verstrikt is geraakt komen natuurlijk niet voort - zoals oud-collega J. Kiers op 5 april op deze pagina suggereerde - uit het verwaarlozen van boeren, kruideniers en bejaarden. De christen-democraten zijn door vele kiezers 'buiten geworpen' omdat de evangelische grondslag geen politieke meerwaarde heeft te bieden. Dat fundamentele besef is sinds de jaren '60 steeds sterker geworden. En als Kiers zegt dat 'het CDA in de kern een sterke partij is die altijd weinig verdeeldheid heeft gekend', dan heeft hij toch een groot aantal jaren niet goed opgelet. Het CDA ontstond immers uit zwakte en niet uit kracht. De drie oorspronkelijke confessionele partijen waren gammele huizen die op instorten stonden. Na het ontstaan van het CDA kwamen velen van de oude confessionele kiezers weliswaar weer naar de vernieuwde behuizing terug, maar dat hadden zij ook toegezegd: “Oké” hoor ik ze nog zeggen, “als jullie erin slagen één christendemocratische partij te vormen, dan willen we die wel steunen.” Dat gaf een behoorlijk up swing. Van Agt kon de winst aan zetels echter maar net vasthouden. In zijn nadagen zat het CDA al weer op de glijbaan. Lubbers was toen de christen-democratische deus ex machina. We hadden weliswaar - met zeer veel moeite - één partij gevormd, maar de evangelische grondslag was haar achilleshiel. Lubbers kon dat probleem met zijn aantrekkingskracht een tijd lang maskeren. Even zag het er zelfs naar uit dat we een ideologisch structureel concept hadden gevonden: het concept van de zorgzame samenleving. We hadden de andere partijen op afstand gezet, ... dachten we. Niet lang daarna werd het concept bijgesteld: het werd de 'verantwoordelijke samenleving'. Maar toen dat concept moest worden ingevuld raakten we op drift. Het evangelie als politieke grondslag bleek een kathedraal waarbinnen iedere christen-democraat op zijn manier spiritueel-politiek bezig kon zijn. In de CDA-Tweede Kamerfractie, waar het gedachtengoed van de partij moest worden uitgedragen, was ruimte voor christen-liberalen, christen-socialisten, christen-fundamentalisten en christen-middenweggers. Sommigen hadden sympathie voor de EO en sommigen - in diezelfde fractie - waren overtuigd lid van de VPRO.

Zo'n partij is per definitie een middenpartij. De aansporing van Kiers om de middenpositie weer in te nemen snijdt dan ook geen hout. We hebben die plaats nooit verlaten. In tijden van opgang en welvaart is een middenpositie comfortabel. Maar toen het CDA de verantwoordelijkheid kreeg om vanuit die middenpositie, met die schakering aan evangelisch geïnspireerde politici, de samenleving te hervormen, om dus harde beslissingen te nemen, bleek de partij gevangene van de eigen grondslag. Individueel kon ieder fractielid met de grondslag alle kanten uit, maar voor een fractie als collectief vormde dat een geweldige handicap. IJzeren fractiediscipline hield de kikkers in de kruiwagen.

Elf jaar heb ik de worsteling in de fractie meegemaakt om de kiezer christen-democratische meerwaarde te bieden. Als er zich eens een beleidspuntje voordeed dat tot ons christen-democratisch gedachtengoed zou kunnen behoren, dan deden we alle moeite - tot in het bizarre aan toe, zoals aangaande de reclame op zondag - om daaraan vorm te geven. Bleek tijdens de fractiediscussie dat zo'n christen-democratisch gewenste vormgeving onze rechter-, linker- of midden-achterban van ons zou vervreemden, dan ging de knop op 'pragmatisch', dan werd de grondslag 'overruled' en stond het korte termijnbelang weer voorop. Een monster van een compromis was dan niet zelden de uitkomst. Dat de opstelling van de CDA fractie de laatste jaren bij wijle Ad Kaland het beeld van een kudde stemvee op het netvlies bracht, is dan ook niet verwonderlijk.

Dan wil ik nog ingaan op de laatste zin van Kiers. Hij schreef: “Laat het CDA... in alle duidelijkheid weer terugkeren naar zijn oorspronkelijke standpunten. Als duidelijkheid het geheim van Bolkestein is, dan behoeft het CDA, indachtig het verleden, niet over de toekomst te wanhopen.” Ik vind die zin buitengewoon cryptisch, maar haal er twee elementen uit: 'duidelijkheid' en 'Bolkestein'.

Bolkestein is voor de kiezer vooral duidelijk op de punten asielzoekers en ontwikkelingshulp. Die duidelijkheid hebben wij nooit aangedurfd hoewel onze achterban daar, ook juist op die punten, grote behoefte aan had. Pleiten voor een fundamenteel andere politiek ten opzichte van asielzoekers en ontwikkelingshulp was in de fractie not done. Maar naar mijn stellige overtuiging was de overgrote meerderheid van de fractie, en de partij ook, op beide beleidspunten vóór een 'Bolkestein-opstelling' avant la lettre.

Ten aanzien van beide beleidsaangelegenheden had het CDA, zelfs met de grondslag in de aanslag, op het punt van de eigen verantwoordelijkheid van staten en individuen, de door Kiers verlangde 'duidelijkheid' kunnen geven. We lieten het aan Bolkestein over. Die gaf die duidelijkheid. Met goed fatsoen.