Zieke kameel in de Zandzee

Het eerste wat opviel was het grote, bebloede mes. Daarna de loensende blik en de zware stoppelbaard. Kleine, felle ogen onder een enorme tulband bekeken me argwanend, en onwillekeurig deed ik een stap naar achteren. Langs de hand met het druipende mes gleed mijn blik door de half geblokkeerde deuropening de binnenplaats op. Twee ontzielde geiten, opgehangen aan een stok, verklaarden het mes. De half afgesneden kopjes met grappige, fluwelen flaporen bungelden losjes boven de grond. Een tweede man keek nieuwsgierig op van zijn slagersarbeid. In deze afgelegen negorij in de westelijke woestijn van Egypte klopte maar zelden een vreemdeling op de deur. Hoewel het bijna donker was, zag ik de ogen van mijn gastheer oplichten toen hij begreep wie er bestoft en verreisd voor hem stond. Een scheve grijns trok over zijn gezicht. “Ahlan wa sahlan, ya Arita! Marhab.” Welkom! Enthousiast hield hij me zijn rechterpols ter begroeting voor, de hand met het mes wegdraaiend.

Was dit hem nou of niet? Ik kon me de schele blik helemaal niet meer herinneren. De harde uitdrukking in zijn roofdierenogen wel. Dit moest Hassan Achmed zijn, de man die vorige winter in de woestijn mijn gereedschap leende om een manke kameel te opereren.

Het was puur toeval dat de knie van mijn kameel Morena kapot ging in de moerassen rond Hassans dorp. Eigenlijk had ik op dat moment in de buurt van Siwa, een oase vlakbij de Libische grens, willen rondzwerven in plaats van verstrikt te raken in dat rottige, stinkende en van muggen vergeven moeras. Tussen Farafra, het vertrekpunt van mijn reis, en Siwa ligt een enorm gebied vol golvende zandduinen waar ik doorheen wilde trekken. Op de kaart is de Grote Zandzee niet meer dan een groot bestippeld vlak waar een rood gestreepte lijn de monotonie op een paar plaatsen doorbreekt. De rode streepjes duiden op oude karavaanroutes die in werkelijkheid onzichtbaar zijn. Alleen een gids weet zijn weg in de zandmassa te vinden.

De Grote Zandzee heeft de reputatie mensen te verslinden. Hele karavanen en legers verdwenen zonder een spoor na te laten onder het zand, zoals dat van de Perzische keizer Cambysus (500 jaar v. Chr) die bijna twintigduizend manschappen in de Zandzee verloor. De woestijn der woestijnen is een wrede verleidster, zij lokt en lonkt met haar gouden vormen en zuigt je als het ware de afgrond in. Kieskeurig is zij niet; avonturiers, wetenschappers en ontdekkingsreizigers gaven gehoor aan haar roep en ook ik kon niet om de Zandzee heen. Het was mijn laatste kans. Na zeven jaar zwerven door de Egyptische woestijn wilde ik komend voorjaar mijn kamelen verkopen en was ik nomade af.

Nam de woestijn op een flauwe manier wraak of was het een nare speling van het lot? Het was om de haren uit te trekken zo erg, want tussen mij en het veelbelovende zand lag een onafzienbare hoeveelheid water. Het begon onschuldig genoeg met een klein stroompje, de afwatering van een spuitende waterbron vlakbij een nieuwe landbouwnederzetting die ik wilde omzeilen. Mijn kamelen weigerden over het water te springen en nietsvermoedend liepen we eromheen. Na twee dagen bereikten we de overkant, onderweg genietend van azuurblauwe meren, een watervalletje, vogels en rietkragen. Het ontstane tijdverlies was desastreus. De kamelen hadden nog geen dorst en dronken niet uit het meer. Dat zou ze later in de zandduinen lelijk opbreken en dat verminderde onze kansen het er levend van af te brengen. Met pijn in mijn hart verlegde ik de route, af en toe een glimp opvangend van roomkleurige repen zand die als walvisruggen opdoken uit trillende luchtlagen.

Het vuur laaide hoog op, de likkende vlammen reikten naar het dak. Het flakkerende spel van licht en schaduw verleende een geheimzinnige glans aan de donkere gezichten in de mandara, de ontvangstkamer. De schotel met geitevlees was leeg, rondslingerende botten en geplunderde sauskommen herinnerden aan het afgelopen feestmaal waarmee Hassan zijn bezoekers vereerde. Toevallig kende ik bijna al zijn gasten, ervaren kamelenfokkers die ik enige jaren geleden ontmoette op mijn reis naar Abu Simbel. Glaasjes thee maakten de tongen los.

“Vertel ons”, Suleiman schraapte zijn keel, “vind je nog weleens iets in de woestijn?” Archeologische schatten roven is een veel bedreven tijdverdrijf in de oasen en een gouden tip was welkom. Mijn ontwijkende antwoorden vatten ze goedmoedig op, ervan overtuigd dat ik de buit voor mezelf wilde houden. Het duurde lang voor de mannen het vuur doofden en mij verlieten met de belofte morgen te helpen bij de operatie van Morena. Naast de smeulende kooltjes viel ik woelend in slaap, niet helemaal gerust op een goede afloop.

“Trekken!” Drie mannen rukten aan een touw dat de gewonde poot strak trok, Hassan sneed, kneep en peurde met zijn vingers in de knie van de brullende Morena: “Niets te vinden”. De wetten van de hygiëne tartend wentelde mijn kameel zich bij het opstaan in het stof. “Dat komt vanzelf in orde”, Hassan spoog op de grond en wees op de met stofkorsten bedekte wond. “Als het gaat etteren, branden we de infectie er wel uit.” Dat zag ik niet zitten, maar waar haalde ik zo gauw een dierenarts vandaan? Na dagenlang speuren en navragen reed op een goede nacht een jonge veearts met veel getoeter het gehucht binnen. Met de koplamp van mijn vriend als operatielamp en met behulp van de haastig opgetrommelde mannen kweet de arts zich efficiënt van zijn taak, inde heel veel geld en vertrok even snel als hij gekomen was. De volgende vijf dagen speelde ik voor 'duktur' en imiteerde dagelijks alle verrichtingen van de echte tot en met de injectie in de kont van de jammerende kameel. Het afscheid van de dorpelingen na de laatste behandeling was hartelijk en de opluchting over ons vertrek groot.

Eenmaal terug in Farafra ondermijnde een ontevreden gevoel mijn goede humeur. Dit was nou niet bepaald het grootse afscheid geweest dat ik me had voorgesteld bij deze laatste reis door de woestijn. In vier weken hadden we niet meer dan tweehonderdvijftig kilometer afgelegd en daarbij meer water gezien dan zand. Twijfel rees over de verkoop van mijn kamelen. Maar nee, daar had ik lang over nagedacht en nu moest ik niet terugkrabbelen. Dat denk ik nog steeds, maar als het over een maand zover is bewaar ik voor alle zekerheid wel mijn zadels, touwen, tassen, gereedschap en jerrycans. Je weet maar nooit.