Nieuwe feiten IRT bedreigen de positie van bewindslieden

ROTTERDAM, 18 APRIL. Veel tekenen wijzen erop dat een tweede IRT-affaire op uitbreken staat. Iets meer dan een jaar nadat een commissie onder leiding van H. Wierenga de bouwstenen aanleverde voor de val van twee ministers en de bijna-val van een procureur-generaal, een hoofdofficier van justitie en twee politiecommissarissen in Amsterdam, komen nieuwe feiten naar buiten die alweer de positie van politici, officieren van justitie en politiechefs ter discussie kunnen stellen.

Het Parool bracht afgelopen zaterdag het nieuws dat vorig jaar opnieuw 20.000 kilo soft drugs op de vrije markt zijn terechtgekomen om de top van een grote criminele organisatie te kunnen aanpakken. Bij de operatie speelde de Criminele Inlichtingendienst (CID) van het Haarlemse politiekorps, net als bij de IRT-affaire, een cruciale rol. De CID Haarlem 'runde' sinds begin 1994 een informant die inlichtingen had die van belang waren voor onderzoek naar een Rotterdamse drugsbende. Afgesproken werd dat de CID'ers met hun informant gingen werken voor het Rotterdamse openbaar ministerie om via zogeheten 'gecontroleerde afleveringen' van drugs een organisatie in kaart te brengen.

Bij de IRT-affaire leidde kennisname van deze omstreden onderzoeksmethode bij de Amsterdamse politie en justitie tot de onmiddellijke ontbinding van het IRT Amsterdam/Utrecht. Er bleken transporten van zo'n 40.000 kilo soft drugs op de markt terecht te zijn gekomen om de top van het criminele syndicaat dat de erven van bendeleider K. Bruinsma hadden gevormd te ontmaskeren. Procureur-generaal Van Randwijck had eerder met de methode ingestemd maar de hoofdstedelijke driehoek wilde er niet mee doorgaan. De commissie-Wierenga noemde de methode later niet onverantwoord. De Tweede Kamer schortte haar oordeel echter op door, via de instelling van de commissie-Van Traa, de onderzoeksmethoden van politie en justitie aan een parlementaire enquête te onderwerpen.

Nu die enquête nog achter gesloten deuren loopt, hoeft over de politieke gevoeligheid van de 'omstreden methode' geen twijfel meer te bestaan. Zeker nu duidelijk is welke hoofdrolspelers, formeel of feitelijk, in het Rotterdamse geval een rol hebben gespeeld.

Om te beginnen is er de huidige minister van justitie, W. Sorgdrager. Zij was begin vorig jaar procureur-generaal in Den Haag en aldus verantwoordelijk voor de gang van zaken bij de toepassing van deze onderzoeksmethode. Op de vraag of zij van de inhoud ervan op de hoogte was, wilde het ministerie van justitie vanochtend geen commentaar geven omdat de rijksrecherche bezig is met een onderzoek naar de CID-Haarlem.

Op de achtergrond is er ook een rol voor de huidige staatssecretaris van justitie, E. Schmitz. Zij was begin vorig jaar burgemeester van Haarlem en als korpsbeheerder verantwoordelijk voor de gang van zaken bij de Haarlemse politie. In haar geval staat vrijwel vast dat ze niets wist van de gang van zaken bij de Haarlemse CID - ook hoofdcommissaris Straver van dat korps is de laatste jaren regelmatig verrast door de inhoud van operaties die zijn CID-chef op poten had gezet.

Daarnaast blijkt dat de operatie op het Rotterdamse parket onder leiding stond van (CID-)officier van justitie mr. R. de Groot. Deze crimefighter, het Rotterdamse equivalent van zijn Amsterdamse collega Valente, heeft de naam dat hij zich in detail op de hoogte houdt van lopende operaties.

Op het Rotterdamse parket werkte een CID-officier van justitie, anders dan in Amsterdam, los van zijn collega die de zaak voor de rechter brengt. Onder de nieuwe hoofdofficier De Wit is dit veranderd maar vorig jaar was het nog zo dat de zaaksofficier van justitie in Rotterdam niet te horen kreeg wat zich in het zogeheten 'CID-traject' had afgespeeld. Een gevolg van die werkwijze is dat zaaksofficieren nogal eens klagen dat ze “een lijk in de kast vinden”, een opsporingsmethode waarvan ze niet wisten.

Deze 'Rotterdamse leer' betekent ook dat De Groot de vrijheid had om de operatie buiten medeweten van zijn naaste collega's, en dus van de toenmalige procureur-generaal Sorgdrager, op te zetten en uit te bouwen. Voor beantwoording van de vraag hoe 'fout' in dit geval politie en justitie waren door 20.000 kilo soft drugs kwijt te raken, is het van belang te weten of men bijvoorbeeld één keer een container gevuld met drugs uit het oog verloor - hetgeen gelet op het volume van zo'n partij uitgeloten lijkt - of dat er een reeks partijen drugs met hulp van justitie op de markt kwam.

In dat laatste geval is de verdediging van de gang van zaken lastiger - omdat dan deze op zich niet ongebruikelijke methode van 'gecontroleerde aflevering' te lang is doorgevoerd terwijl de effecten ongewis waren. Want net als destijds bij het IRT heeft ook in dit Rotterdams/Haarlemse geval de toepassing van de methode niet tot de vervolging van de leiders van de drugsbende geleid.

De nieuwe berichten vestigen opnieuw de aandacht op de gang van zaken bij de CID Haarlem. De voormalige chef van de dienst blijkt keer op keer betrokken te zijn geweest bij onderzoeksmethoden die zich op de rand van het toelaatbare bevonden door zijn zogenoemde 'discretionaire' bevoegdheid maximaal op te rekken. Ook de Haarlemse korpsleiding heeft inmiddels ingezien dat de vrijheid lange tijd te groot is geweest en heeft zijn CID vorig jaar gereorganiseerd. Er is een nieuwe chef aangesteld en de procedures om tot nieuwe operaties te komen zijn strakker geworden.

Maar daarmee werden niet meteen alle 'oude' operaties beëindigd. Toen de jongste affaire aan het licht kwam, vroeg de Rotterdamse hoofdofficier De Wit samen met zijn Haarlemse collega De Beaufort begin dit jaar om een rijksrecherche-onderzoek. Dat onderzoek is door het “ernstig verontruste” college van PG's verbreed tot “een diepgaand onderzoek naar concrete CID-operaties” in Haarlem. Bij sommige korpsen leeft nu de vrees dat dit onderzoek aangeeft dat het openbaar ministerie zijn verantwoordelijkheid voor de omstreden operaties probeert af te schuiven naar de politie.